Signy-l' Abbaye, Novion-Porcien, slechts enkele tegenliggers, maar rond zevenen en op de weg van Rethel naar Reims steeds meer verkeer op de weg: Frankrijk ontwaakte en in spitstijd hobbelde ik de weg af, de D-9, Ludes, Tauxiéres-Mutry en bij Mareuil-sur-Ay de Marne over, langs Avize, dwars door Vertus, dwars door de Champagnestreek waar ik reeds de eerste plukploegen door de wijngaarden zag struinen, en elders weer zo'n afschuwelijk plukmonster dat al grommend aan de druiven rukte.
Morains volgde, en Fère-Champenoise, Euvy, Salon en Allibaudières, een kleine recht toe recht aan weg waar bijna niemand gebruik van weet te maken, maar waar je wel getrakteerd wordt op wijdse vergezichten en na Arcis-sur-Aube was ik snel op het losadres in Sainte-Savine, net even naast Troyes waar ik snel werd gelost.
Dit keer een korte reis en ook dat heeft zo zijn charme. Nog voor de middag was ik op de terugweg vanuit de stad aan de Seine, die merkwaardige stad opzij van Parijs en temidden van een enorme vlakte ligt, gelegen aan de Via Agrippa die ooit Boulogne sur Mer met Milaan verbond en waar rond 1150 Chrétien zijn Parzival schreef.
De terugreis verliep voorspoedig totdat ik Brussel naderde en aldaar in de file kwam die nooit meer leek op te houden en zo, in kruipende gang, bereikte in Nederland terwijl de regen in stromen neerdaalde; de weersextremen, Mars in de kreeft en Jupiter in de tweeling terwijl de stier en de ram iets zuidelijk hoog aan de hemel staan. En de maan, ach toch, waar is de maan? Niet ver meer, niet ver meer, de apocalyps naderd, de grote ontknoping, zeventig jaar na dato, gelijk het jaar zeventig. Nog slechts luttele jaren.
Inmiddels regent het maar door zoals ik het nooit zag regenen, straffe windstoten en de eerste herfstbladeren scheren door de lucht. 'T wordt erger, alsmaar erger.
Aldus schreef ome Willem.
---