Hoeveel mensen hebben mijn site bekeken?

donderdag 2 februari 2012

Voorruitijs

Zoveel ijs zie je bij minus 23 aan de binnenkant van de voorruit.

Het gesprek.

"Ja, ik had het al gezien op de navi dat er file zou staan"  "Nou, daar zijn we dan mooi klaar mee" "Weet jij geen alternatief?"
"Nee, ginds is een afslag maar ik heb al een jaar geen kaarten meer" "nee, ik heb ze nog wel, maar die liggen onder het bed, maar ja, niks aan te doen". 
"Ja, we worden toch per uur betaald"
"Welja, als het lang duurt blijf ik wel bij Frans op de Bult staan" "Ach ja, dan pakken we ook nog de nachtvergoeding mee".

Vanmorgen om half zes werd ik wakker, versteend van de kou want de kachel was er mee opgehouden.  Meteen probeerde ik hem weer op te starten, enkele keren, maar tevergeefs en daarom startte ik snel de motor, zag snel dat het om min 23 ging, schoot bibberend en klappertandend de kleren in en probeerde de gordijnen open te trekken die tegen de voorruit waren vastgevroren, een heuse, dikke ijsrand liep van links tot rechts aan de onderkant van de voorruit; de zijruiten waren nog erger. 

Snel ging ik er van door, de luchtdroger tegen de voorruit aan en snel op weg.  Binnen enkele minuten kwam ik bij Krosno Odrzańskie een langzaam stromende Oder over die vol lag met ontelbare ijsschotsen die zij als een oneindige schuldenlast met zich meetorste, de schuldencrisis als traag stromende visuele metafoor; vandaag heeft ook de rivier geprofeteerd.

Na een half uur rijden werd het eindelijk warm en in besloot, niet ver voor de grens, even bij een grote truckstop halt te houden en toen ik parkeerde zag ik dat ik naast twee voertuigen stond met op de oplegger cyrillische letters. Bij het uitstappen zag ik, dat in de enorme vrieskoude, naast de twee trucks vier nors kijkende kerels staan waarvan drie met een enorme borstelsnor en allen met een dikke bontmuts op het hoofd en verder waren deze gekleed in trainingsbroek annex pyjama en ééntje zelfs nog, met dit weer, op badslippers. 

Tussen hen in een brandende primus waarop water werd verwarmd, water voor de koffie en thee en onderwijl spraken ze met elkaar in vloeiend cyrillisch; de inhoud van het gesprek kon ik echter niet volgen, had er, vanwege de kou, ook niet echt zin in en stoof naar de truckstop, naar binnen, naar de warmte,  waar de koffie gereed stond. Van achter het raam sloeg ik acht op de vier in de ijzige kou staande moejieken om de primus heen, afwisselend warme adem blazend in de handen, soms wat stampend met de voeten, wellicht hadden díe de vrieskou van achter de Oeral tot hier gebracht?

Bij terugkomst stonden de Siberen er nog steeds, buiten, bij minus twintig, en ook bij hen was de koffie gereed gekomen terwijl een nog steeds cyrillische woordenvloed door de ijzige koude klonk en tussen de opleggers weerkaatste en vervolgens vervloog  over de ijzige velden, maar ik ging er weer vandoor.

Vanaf Krosno Odrzańskie kon ik, zonder al te veel tegenslag, binnen tien uur thuis zijn, afzien, dat wel, bijna louter Autobahn, zonder een goed alternatief.

Bij de geboortestad van de filosoof Leibnitz, Hannover, reed ik pardoes een file in en zette de "bak" aan, wellicht dat ik wat informatie kon opvangen en zonder te vragen hoorde ik het gesprek aan waarmee ik begon. Hoofdschuddend pakte ik de altijd naast mij liggende kaart en keek waartoe de volgende afslag leidde en zag tot mijn verbazing dat het eenvoudig was om om de file, die twaalf kilometer zou zijn, heen te rijden en tot meerdere verbazing bleek ik zowat de enige te zijn die de afslag nam.

Binnen nog geen vijftien minuten zat ik weer op de grote weg, nu aan gene zijde van de twaalf kilometer en snorde over een betrekkelijke verkeersluwe Autobahn voort, naar huis.

Het cyrillische gesprek tussen de Siberen, al verstond ik het niet, zal ik niet ligt meer vergeten, het gesprek in de file, het gesprek over de "bak", vergeet ik maar snel.

Het schaamrood staat mij op de kaken. Gelukkig draag ik een baard.

Aldus schreef ome Willem.
---

woensdag 1 februari 2012

Wintervertelling.

Seizoenen, vaak komen bij het aanbreken er van herinneringen boven, in seizoenen woont geschiedenis, maar aan seizoenen herken je ook wat gaat komen, ze vertellen toekomst, zijn profetisch, maar wat is het verschil?

Ruim vijftien onder nul en ik liep naar de voordeur van de haphut waar ik gisteravond nog las dat ze nu om vijf uur open zouden zijn, maar helaas, een tegenvaller, tegen zessen bleek de deur nog toe, dus vertrok ik maar zonder opfris en koffie.

Zo ook deze winter die tal van herinneringen in mij wakker maakte, van een jaar terug, van jaren terug, maar soms ook herinneringen waar ik niet bij was, die van horen zeggen, of die komen van voorbij de oever, van de overkant, van het schimmige onbestemde waardoor het licht en de kleuren opeens anders worden.

Langs Česka Skalice, de ijsvlake van Rozkoš en even later vond ik wat, net voor de Poolse grens, in Náchod terwijl het als maar kouder werd. Na een goed kwartier overschreed ik de grens, en hoewel de zon steeg, daalde en daalde de temperatuur en zo snorde ik van het Reuzengebergte door naar de Adelaarsbergen, Kudowa Zdrój, slingerend door naar Kłodzko en vandaar een pasje over waardoor ik aankwam in Złoty Stok, dat vroeger zoiets als Reichenberg heeft geheten, want waar ik door reed was het Slesien van weleer. Aan de oude huizen kon je zien, dat het hier ooit "duits" was. Niet lang daarna reed ik tussen twee bevroren meren door, kwam door Ormuchów en niet lang daarna te Nysa.

Onderweg, het was, zeker na Kłodzko, eenzaam stil en ik waande me in een andere wereld, in een wereld die het midden hield tussen een ver verleden en ééntje van een elders. De vrieskou perste nog een laatste restje vocht uit de lucht dat soms als stuifsneeuw tegen de voorruit kwam, woest stromende beekjes stonden stil, ze leken opeens te profeteren, ze vertelden van de toekomst. Ook zij waren door de vorst bevangen, allen ondergingen een metamorfose van wild stromend water naar onbeweeglijk ijs, ze profeteren het einde van onze gouden eeuw.

Vol droefenis keek ik naar het visioen van de naderende ondergang, de winter vertelt, van toen, van straks.

Tussen Nysa en Opole kwam ik door een klein dorpje waar ik de lucht van bruinkool rook en meteen kwamen weer gedachten boven, niet één, niet twee, maar tientallen tegelijk en voordat ik ze kon rangschikken had ik ze al gedacht.


Na Nysa werd het drukker en ik kwam weer bij zinnen, toerde weer door de werkelijkheid van alle dag, een schat van weemoedige herinneringen achter mij latende, herinneringen die mij de toekomst lieten zien.

Niet lang daarna lossen in Chorula, even buiten Opole en vandaar koers gezet naar het westen om een terugvracht te gaan laden. Wrocław voorbij en over Środa Śląska via Lubin naar Polkowice, daar, bij een klein fabriekje, werd de kar weer volgestouwd.

Het is de geschiedenis van de toekomst, de goeden jaren zijn immers voorbij, voorgoed voorbij en een ieder die de profetie van het verleden heeft herkent ziet, weet, dat het schavot betreden wordt.

Een goed uur reed ik verder, gepasioneerd door al het moois wat ik, met name, in de ochtond zag, geschokt door het visioen van de winter, hier, langs de oever van een stroperig stromende Odra.
Wordt ook zij, gelijk de Europese economie, geheel tot staan gebracht?

Geschiedenis is immers profetie van het verleden, en andersom.

Nog een week of zes, en het is weer lente.

Aldus schreef ome Willem.


---

Eenzaam.

Een kerkje, midden in het land. Dat zie je niet vaak.

Bergen.

Vlak bij Złoty Stok.

dinsdag 31 januari 2012

Kafka.

Nee, voor de lol kwam je het voertuig niet uit vandaag, daar was het gewoon te koud voor. Dubbele vriescijfers, vanmorgen en nog met donker vertrok ik, snelde voorbij Kassel waar ik over de door een vrachtwagenrijverbod thans rustige weg naar Eisenach reed, er vanuit gaande dat oom agent het ook wel te koud zou vinden zijn auto te verlaten om voor mij met de pannenkoek te gaan staan zwaaien, een vooronderstelling die achteraf ook uitkwam.

Ondanks de grimmige koude was de omgeving bijzonder, weer anders als de laatste keer, velden en witte akkers in blinkende zon wat bijna pijn aan de ogen deed.

Nog ruim voor de middag kwam ik in Töpen aan, een regelmarig losadres waar ik een paar pallets achter liet en daarna weer verder, oostelijker, kouder en stiller. Tussen Aš en Cheb scheen niemand meer mee te willen doen, evenals tussen Karlovy Vary en Slaný, langs bierbrouwerij Krušovice in het gelijknamige dorpje, tussen roodbruin gekleurde velden door met nog hier en daar een witte onderliggende sneeuwlaag, maar vooral, waar het ongewoon stil bleef vandaag waardoor mijn innelijk zich weer leek te vullen, te vullen met vredige melancholiek en ik moest wel afdalen naar de oevers van mijn herinneringen, maar vond ze daar niet.

Bij Slaný miste ik een afslag en zo kwam ik pardoes op de snelweg naar Praag dat ik juist had willen mijden, de stad waar je vreselijk omheen moet en waar het vaak ook vast staat, dus dan maar improviseren, kijken of het wat is, en eigenwijs negeerde ik de borden transit -die om het zuiden van de stad leiden- en sloeg af bij Praha-Nord in oostelijke richting.

Maar als ik niets vond, wat zocht ik dan eigenlijk? Een profetie? Een waarheid? Een herinnering? Zijn niet alle brugleuningen in het water gevallen? Waaraan dan nog vastgrijpen?

Het viel niet mee, dat Praag door met een zware kar achter je, maar ik was er aan begonnen en dus doorgezet, geen route voor een tweede keer, maar spijt? Nee hoor, want achteraf viel het wel mee, binnen een half uur snorde ik de Vlatva over en na nog een kwartier passeerde ik reeds Černy Most en niet veel later reed ik langs Horní Počernice de weg naar het oosten op, alweer langs adembenemende natuur, kostelijke vergezichten.

Waar zijn, dat kunnen er niet veel en het allerslechtste kunnen het de geleerden die immers hun eigen gedachten wantrouwen.

De Boheemse heuvels, de dalen van de Vlatva , de prachtige bossen, in al hun kaalheid nog steeds zo schoon, de avondschemer en bij Nové Město de 611 op, langs Hradec Králové en de weg op naar Jaroměř, weer langs prachtige halfbesneeuwde akkers, ach, die prachtige natuur, zij is wat zij is.

Geleerden hebben immers de neiging eigen gedachten te verbloemen want het enige wat zij doen is het zo veel mogelijk citeren van andermans uitspraken, halen publikaties aan van derden en komen zelden met nieuwe vondsten, ze lenen het oor en horen zichzelf daarom niet.

Hoe ongewoon, hoe bijzonder, als ik stop sta ik stil naast Kafka, Kafka uit Praha, en Kafka kwam ook uit Praha. En als een Kafka probeerde ik te vinden, te vinden wat ik zocht, maar wat? Wat zocht ik dan? Moet ik soms worden wat ik ben?

In de knaagschuur naast de parkeerplaats vond ik! Vond ik de chauffeur, de chauffeur van Kafka, van Kafka transport uit Praag en met engels gebroken tsjechisch ontmoeten wij elkaar, praten over het eten, over Holland en klompen, over tsjechisch bier, de kou, maar vooral over de naam op de deuren van zijn stuurhut: Kafka.

Aldus schreef ome Willem.

Op weg.

Het was weer fraai en stil op de weg naar Slany.