Hoeveel mensen hebben mijn site bekeken?

dinsdag 17 maart 2015

De argopijl

Elk jaar weer; die merkwaardige dagen, dat het buiten aangenaam is met een zon die haar glans uitgebreid verspreidt, maar geen enkel groen dat de bomen siert. Slecht kale, soms zilvergrijze takken en inwendig de wens, de verwachting dat binnen een paar weken alles groen kleurt.
Zo was 't vandaag, met in de morgen een pas opgekomen minder dan halve maan, een lading ophalen tussen Maasland en De Lier en dan op weg: Bergen op Zoom, Antwerpen en Brussel rond een tijd dat het fileleed reed geleden was; zeker, en rond de klok van twee uur koffie bij Jojo, op de grens tussen België en Frankrijk, net even voor Rocroi.

Toch. Minder dan andere jaren kan ik 't verlangen koesteren; meer dan ooit neemt mij de dreiging in beslag; dat de vreugde over de voorjaarskomst tempert; wie kent het niet, wie voelt het niet: nooit werd het zonlicht zó door 't duister aangetast; tussen de dunne, fijne twijgen zweemt een wolk van spanning die welhaast niemand opmerkt maar dat weinig goeds voorspelt terwijl ik een veld passeer met paarse en witte krokussen; op een rotonde gele trompetnarcissen, bazuinend een waarschuwende ondertoon.

Na de grens is 't altijd minder dan vier uur naar Auxerre, hoe zwaar je ook bent en ik snorde tussen de immense velden door met reeds ferm opschietend wintergraan: zullen we, zal ik, de maaiers nog zien? En terwijl de klanken van Ferdinand Ries' vijfde de stuurhut vulde, zakte de oranjerode zon achter zich aan de horizon ontwikkelende wolken en ik schrok, schrok van de bevende trilling, van 't gluid dat ik hoorde in het getokkel van de laatste stralen.

Jawel, natuurlijk: ik verlang naar de gele alpenweiden, naar 't frisse, jonge groen, uitbundige voorjaarsbloei, naar strandweer wanneer je weer in aangename golven duiken kan, naar schoonheid en geluk, naar geur en glans als geen ander, maar het macabere toneel dat zich aan het oog onttrok sluipt als een dunne nevel tussen boom en bos, verspreid zich over de velden en is zelfs voelbaar in de staten van de kleine dorpjes waar ik doorheen reed; de twee jaar geleden zwenking van de tijd moet nu toch wel meer mensen gaan opvallen.

Waarom denk ik er ineens aan; ik snor tussen de linies van de winterslag door, tussen de champagnestreek en de noordelijke Bourgogne waar tussen 1 en 20 maart een slordige 200.000 mensen, voornamelijk soldaten, het leven verloren; absurd: een gemiddelde van 10.000 per dag en 't is alsof slapende demonen van toen langzaam uit hun honderdjarige slaap ontwaken; grimmig loerend naar 't juiste moment.

Vijftien, twintig trucks. De routier te Pontigny, geen denderende knaagschuur, maar niets beters in de buurt; langs de dakgoot een reeks van knipperende lampjes; buiten een klein, glazen kasje voor de rokende gasten; binnen hangt een vreemde, eigenaardige sfeer die me afleid van de beslommeringen, van de dreiging van de dag: louter Fransen die zo hun Franse mening hebben over de langzaamaanacties van hun collega's verspreid over 't Franse land: jawel, ook in dat opzicht wordt de Euro-onvrede steeds meer voelbaar: overal op de werkvloer lijkt het inkomen steeds schaarser te worden; het wachten is op de vlam die het mengsel in een oogwenk tot een nauwelijks meer te blussen brand ontsteekt.

Hoe menigmaal achtte men zich veilig in de slaap, in z'n droessem, in 't harnas op 't oorlogveld, niet bedacht op die ene pijl, ginds argeloos afgeschoten, geruisloos suizend door de lucht, maar die dodelijk treft tussen de kieren van 't pansier en het bloed opeens kruipt waarvan wij dachten dat het niet meer gaan kon.


Aldus schreef ome Willem.