Hoeveel mensen hebben mijn site bekeken?
vrijdag 4 mei 2012
De brugbreuk
Net over de brug een "knaagschuur" waar ik gistermorgen even halt hield en daar hing bovenstaande foto aan de muur, het bleek om dezelfde plek te gaan waar nu de brug ligt waar ik net over kwam, maar dan een brug in een iets meer hedendaagse versie.
Op de foto is de brug te zien, de brug toen, het zal rond 1920 zijn geweest, net rond de opkomst van de grote technische sprong voorwaarts.
Wie de foto aandachtig bekijkt zal het opvallen dat er meer niet dan wel wordt gezien.
De truck met aanhanger was te zwaar, wellicht, of de brug niet stevig genoeg, het is om het even, de gevolgen waren niet mis, dat is duidelijk en het betreft een bierwagen uit Hannsdorf, het huidige Hanušovice, even ten noorden van Bludov. En Bier werd toen kennelijk in de oude spelling gesproken en geschreven; Biere, tot zover geen vragen.
Om wat voor een vrachtwagen gaat het? Een oude Praga? Een Tatra? Zat het stuur links of rechts: rechts waarschijnlijk, omdat men toen links reed in dat gebied. Had de chauffeur zijn gordel om? Nee, daar had nog nooit iemand van gehoord.
Wie nam de foto, en vooral, hoe? Vanaf een boot? En met wat voor camera? En dan: hoe heeft men de zaak er af kunnen krijgen zonder behulp van een grote mammoetkraan? Wat was de lading? Wellicht bier, en zeker geen lege flessen of vaten! Hoeveel ton zou de zaak hebben gewogen? Tot welk jaar zijn het soort wielen in gebruik geweest zoals de foto laat zien?
Heeft men daarna de brug hersteld of meteen maar een nieuwe, stevigere gebouwd?
En de chauffeur? Heeft die het er zonder letsel afgebracht? Was er een bijrijder? Is de vrachtrijder naar aanleiding van het doorzakken met bier ontslagen??
Aldus vroeg ome Willem.
De bomenzang.
Een adembenemende weg voerde omhoog, de weg naar Rymařov en daarna over de Skřítek met even daarvoor een verrassend prachtig panorama op de nog besneeuwde Pradéd, de Velký Děd en de Medvědi Hřbet, toppen van de Hrubý Jeseník, de weg slingerde zich door een eeuwenoud woud, hoge, zingende bomen met relatief dikke stammen, de bomen, ze vertelden hun verhaal, een verhaal van de hier stilstaande tijd.
Zo kwam ik aan te Šumperk waarna nog een prachtige tocht volgde, via Červená Voda met een reeks haarspeldbochten naar boven, op weg naar Jablonné, het weer werd wat onstabiel, er zaten onweerswolken in de lucht en op zeker moment leek ik langs de plek te komen waar een nepbebaarde Kuifje, de professor en Kapitein Haddock tijdens de achtervolging door de Bordurische politie met een okergele auto de bocht uit vlogen; het zag er nog net zo uit als op de plaatjes op bewuste bladzijde van het boek; rond de middag passeerde ik het oude mijnstadje Žamberk en hier hielden de bergen op.
Fleurige fruitbomen, bloeiende paardenkastanjes, één groot feest, de bomen vertelden mij onderweg stilzwijgend levendige sprookjes, ik luisterde intens met mijn ogen, het was spannend, superspannend, 't leek net echt, 't wás ook echt, het pittoreske Vamberk kwam in zicht, een dorpje, al tijden onveranderd, op de oerlelijke nieuwe supermarkt na.
De weg werd drukker, druk zelfs, het knooppunt Hradec Králové volgde en ik wurmde mij door het verkeer naar Jicín, ik begon aardig op te schieten, het verdere verloop beschreef ik eens eerder: Mělník, bekend omdat daar de Vlatva in de Labe stroomt en daarna Slaný en dit keer verkoos ik Louny en Chomutov om via het onwerkelijke en gure, gribusachtige oord Hora Svatého Sebestiána, dat midden op het Ertsgebergte ligt, Tsjechië te verlaten. Weer zag ik in de spiegels het zinderende uitzicht, tot ver de republiek in.
Via het voormalige Karl Marx Stadt snorde ik nog naar Leipzig en onder de rook van de grote stad bleef ik staan.
In het donker zie ik ze nog steeds voor me, de verhalen die de bomen mij vertelden, de schakeringen van licht en donker die ze in hun libretto schreven, de liederen die ze zongen, de prachtige zangen der stilte, ze vervullen nog mijn oren, en met deze eeuwige, ja Eeuwige Klanken en beelden sukkel ik dankbaar in een heerlijke slaap.
Aldus schreef ome Willem.
---
donderdag 3 mei 2012
woensdag 2 mei 2012
de gruwelplek.
Lossen had, zo te zien, wel eerder gekund, want toen ik voor zeven uur bij het losadres in Otrokovice aan kwam, was men al volop aan het werk, maar niettegenstaande dat was ik best tevreden toen ik ruim voor achten de poort weer uit reed, op weg naar de volgende klant, ruim 200 kilometer verder op, Olomouc, Sternberk en toen de Moravische vlakte uit, de gelijkgenoemde bergen in, en oh, wat had ik daar weer een uitzicht!
Door de uitlopers van de Tatra, van Bruntál naar Krnov waar ik de grens over wilde naar Głubczyce en dat kon alleen door een verbodsbord voor vrachtverkeer te negeren; het moest maar voor een keer, en via Głogówek kwam ik nog ver voor de middag aan bij de tweede klant in Krapkowice.
De transporten kwamen vrijwel dagelijks, het ridicule is dat het spoor naar het tweede deel pas aan het einde van de oorlog (1944) werd aangelegd: voordien werd de weg, na een uitputtende treinreis van soms dagen, te voet afgelegd.
Inmiddels bleek dat er geen terugvracht in Polen was te vinden, en inmiddels werd ook duidelijk hoe dat kwam: omdat het morgen een vrije dag is waaraan weer een "rijverbod" voor vrachtverkeer is aan gekoppeld: 1 en 3 mei, wie verzind zoiets!
Zeven maanden gemiddeld werden ze te werk gesteld, áls ze al werden tewerk gesteld werden, soms op de fabrieken, in de oude gebouwen waar ik langs reed, maar dan waren ze ook "op", zo had het misdadig systeem uitgerekend.
Krakow, daar zat nog een laatste losadres, en daarna moest ik maken dat ik weer het land uit kwam om niet een dag extra stil te komen staan, de klant zat tegen het centrum aan, Ulice Sliczna, en de afnemer was maar wat blij met de grote kist die ik kwam brengen. Veel te kort en snel ging ik de mooie stad, de stad van koning Krak en Casimir de Grote, Krakow, weer uit en kwam zo over weg "44", in mijn spiegels verdween de Wawel, langzaam uit beeld, ik volgde de slingerweg......
Rond vieren kwam ik aan, Oświęcim, en eigenlijk gebeurde het er een beetje er buiten, Brzezinka, door de Duitsers Birkenau genoemd, het was er druk en er stonden veel, te veel bussen.
Links het "vrouwenlager", rechts de barakken van de mannen, daarachter een enorm terein met korte, stenen schoorsteentjes, het enige wat van de houtbarakken is blijven staan, het prikkeldraad, zou dat nog "origineel" zijn, of wellicht in de loop der jaren hier en daar vervangen?
Voor de vierde keer dat ik er was, Auschwitz, tussen de rivieren Soła en Wisła, toen, ver weg van de "bewoonde" wereld, een siddering ging weer door mij heen, maar wat een toeristen, het stoorde mij eigenlijk, het hoorde er stil, muis en muis stil te zijn!
Hier, in het centrum van het Christendom, gebeurde het, werden de zonen en dochters van Abraham afgeslacht, en hier, juist hier stierf het Christendom, hier ging het roemloos ten onder, schuldig aan de meest ondenkbare gruwel.
Even later ging ik voort, via Czèchowice-Dziedzice en Bielsko-Biała naar Cieszyn, pal aan de grens met Tsjechië waar ik een plek voor het Dafje vond.
Onderweg luisterde ik naar muziek van de schoonvader van Richard Wagner, een beroemd geworden Poolse componist, ja, ook de klanken van de Hunnenslacht klonken door de stuurhut.
Aldus schreef ome Willem.
---
dinsdag 1 mei 2012
Het wistenweet.
Al om vier uur op pad, de weg op naar Karlovy Vary, aan het noord-oosten werd het reeds schimmig licht. Niet lang daarna snorde ik richting Plzeň en over de hele afstand kwam ik niemand, maar dan ook geen enkele auto, tegen. In de dalen hing soms hardnekkige mist, over de weg dansten witte asfaltelfjes.
Hier, in dit land, hebben ze in tegenstelling tot het "westen", nog een andere kanteling in de tijd meegemaakt, begin negentiger jaren, maar weten de mensen dat hier wel?
Weer ouderwets de weg op naar Nepomuk, en even na Písek stopte ik voor een versnapering, maar toen ging het weer verder, Tábor kwam in zicht, ik zag het liggen achter groen met geel bekleedde weiden, de zon prangde door, de mist loste op.
Via Jindřichuv Hradec bracht ik variatie in de route en over Telč en Třebíč bereikte ik Brno, juist daar ontving ik de droeve mare, de mare dat mijn collega was overleden en onwillekeurig dacht ik aan mijn wakker worden, de onrustige nacht, die dingen zijn geen louter toeval.
Maar velen weten niet meer en zeker door de opkomst van de techniek weet de mens steeds minder totdat zij een door domheid voortgedreven kliermassa is verworden.
Als kind kon, en ik ken ze nog steeds, de telefoonnummers, je onthield dat gewoon, maar nu? Wie kent het telefoonnummer van die ander nog? Eerst "wisten" we dat gewoon, maar nu?
We kennen ons eigen nummer vaak niet eens.
Peinzend ging ik verder, kwam door een dorpje waar langs de doorgaande weg een markt was, honderden mensen, en ik er tussendoor met de kar. Ik las de gezichten, de jongeren weten zeker niet, de ouderen lijken het te zijn vergeten; wie weet er nog iets van vóór?? Ze liepen af en aan, door elkaar, en gingen verder met overleven.
De wegen echter, kilometers zijn ze nog als voorheen, met hier en daar een kleine modificatie, langs de bermen honderden bebloesemde appelbomen, er is vaak weinig verschil als toen, toen ik hier ten tijde van het gordijn kwam, alleen de auto's walmen minder.
Vergeten doen we snel, onze doden, de tijden en de kantelingen daarin, áls die laatsten al worden opgemerkt.
Piekeren, niets dan piekeren vandaag, de droeve mare, de zinderende natuur, de prachtige wolken, het was warm, heet, snikheet zelfs, de raadsels van het leven en het einde daarvan.
Slavkov u Brna en toen een klein pasje over en bij de afdaling een uitzicht over het immense dal van de Morava en tegen de achtergrond bergen, bergen waarachter Slovenië begint; even na Uherské Hradiště bleef ik staan, het liep immers al tegen éénen.
Met zoveel zaken gebeurt het, het weten kalft meer en meer af en het weten beperkt zich louter tot een zoeken, zoeken op google, maar dat is natuurlijk geen echt weten, maar een surogaatweten!
Met de fiets trok ik er op uit, zowaar over een behoorlijke fietsroute, in de smoorhitte kwam ik na ruim twee uur aan in Vesilí nad Moravou, een eerste stadje in de provincie Jihomoravský (Jih staat voor zuid, Zuid-Moravië dus) een stadje waar ik jaren terug even was en ik zocht naar een zekere ijssalon die ik niet vond en na een half uurtje vertrok ik weer naar het oude trouwe Dafje die in Babice op mij wachtte. Doodmoe, vermoeide benen, maar voldaan, ik kreeg hoofdpijn en toen ik naar de lucht keek zag ik dat hoog boven zich grimmigheid ging formeren. Wellicht onweder vannacht?
Wie weet er nog de weg?
Welke chauffeur weet nog?
Niemand meer toch? Bijna niemand meer? Hoe wist men vroeger toch de weg, wist overal te komen zonder enig technisch snufje, wist welke route goed en welke slecht liep, wist van het te lage viaduct op de weg, wat wist men toch veel!
Maar nu? Thans lijkt nagenoeg alle weten gewist.
Aldus schreef ome Willem.
---
Bert.
Bert was een rustige kerel, met een bijzonder soort humor; niet iedereen kon er tegen, maar ik vond het vermakelijk. En ook had hij belangstelling voor gedichten, vooral limmeriken, hij kon er heel wat uit z'n hoofd en bovendien kon hij niet onaardig schaken.
Na een paar dagen hoorde ik het bericht, het bericht dat hij ziek was, vrijwel ongeneeslijk, ik werd daar erg door geschokt, wist mij nauwelijks geen raad!
Enkele keren speelden we een partij, ik herinner me die partij in zijn woonplaats Ouderkerk, in het plaatselijke café, waar hij pardoes een stuk voor kwam te staan, hij vond het leuk, dat schaken.
De tijd vloog voorbij, de maanden, waar bleven ze? En telkens had ik het voornemen, het voornemen waar maar steeds niets van terecht kwam, maar met Pasen zou ik bij hem langs gaan, ik sprak met hem af, eerst zou ik bellen hoe hoij zich zou voelen, maar dan zouden we een partij spelen.
Op die dag belde ik hem, twee, drie keer, maar hij nam niet op. Tegen vieren belde hij mij en zei dat hij erg beroerd was en hij het niet zag zitten, we kletsten nog even, maar hij leek alle hoop te hebben verloren.
Nadien hoorde ik dat het steeds slechter met hem ging, vandaag bereikte mij het bericht dat hij afgelopen nacht is overleden.
Een schok, toch, al had ik het wel verwacht, maar een schok als je zo opeens een collega moet missen, nog lang geen 60 jaar, en mijn medeleven gaat uit naar zijn echtgenoot, kinderen en verdere familie.
Schuldgevoel ook, omdat ik die laatste partij niet met hem heb gespeeld.
Vaarwel Bert; ik zal je nooit vergeten en je staat voor altijd in mijn herinnering gegrift. En op mijn log natuurlijk: voor altijd!
Je collega, Willem.
---
maandag 30 april 2012
Hartje.
Morgen, de eerste mei, een vrije dag hier, zoals in zoveel landen, de dag van de arbeid, de eerste mei. In veel lidstaten van de Unie geld dan voor vrachtverkeer een rijverbod, 24 uur lang, een beetje zinloos als je er over nadenkt, maar hier, in Tsjechië, heeft men weldenkend verstand laten zegenvieren en een rijverbod ingesteld vanaf 13.00 uur en daar is wellicht iets voor te zeggen. Mee te "leven" ook.
Aangezien ik een heel eind oostwaarts ga, weer naar Otrokovice, vertrek ik morgen lekker vroeg zodat ik nog een heel eind zal komen, ondertussen genietend, hier, in hartje Europa, van hartje lente.
Aldus schreef ome Willem.
---
zondag 29 april 2012
plaatjes afgelopen week.
donderdag 26 april 2012
Overleven.
Vandaag zou ik nog zes adressen laden, maar bij het eerste, in Meursault, ging het al mis, want ondanks dat de leverancier op de hoogte was dat "wij" zouden komen, bleek zijn heftruck, nodig om te laden, al enige tijd stuk te zijn. Na ruim een uur niksen ben ik er maar vandoor gegaan, naar Beaune, midden in Beaune, en daar zat de handel in een oogwenk achter in het laadruim.
Al lange tijd bestudeer ik de gezichten, het gelaat van de voorbijganger, die in de supermarkten, op de laadadressen, overal, de nieuwe tijd is er op af te lezen, vanaf het voorjaar kijken, lachen, het knippen met de ogen, ja, ook de grimassen zijn veranderd, in een oogwenk.
Inmiddels vielen nog twee klanten af, zodat mij nog ééntje restte, die in Pouilly sur Loire, toch nog een heel eind karren vanaf Beaune, dus toog ik eerst naar het oude stadje Autun en over Chateau-Chinon reed ik verder, door Saint Saulge, een lange rit dwars door de Morvan, een nogal wat ondergewaardeerde omgeving, slechts weinigen kennen de schoonheid van de streek. Zelfs vandaag, terwijl het nagenoeg onafgebroken regende, was het hier mooi, maar ja, ik houd ook van regen, van onguur, van opzwiepende regenvlagen, ik vind ze spannend.
Wagner herkende het, toen, in zijn tijd, en weinigen zullen hem zijn bijgevallen en wellicht de enige die het voor honderd procent met hem aanvoelde was Cosima, dochter van Franz List en Wagner's laatste echtgenoot.
Rivieren stroomden tjokvol door hun beddingen, in weiden en akkers stonden soms grote, drassige, waterplassen, het land heeft moeite het neergekomen water af te voeren. De klant in Pouilly zat er ook snel in en vandaar ging de reis verder, via Douzy naar Auxerre, en daarna, dit keer via Vouzieres. Even daarna, in La Chesne, bleef ik staan, at ik asperges met kaas.
Ruim honderd vijftig jaar tussen de tijdskanteling ten tijde van Wagner en die van dit voorjaar: eerst leefden de mensheid, in alle opzichten.
Daarna sloeg leven, het leven, om in een ander soort leven, ik groeide er mee op, de mensheid leefde eigenlijk niet, maar beleefde, de mensheid maakte mee en na het verstrijken van de tijd steeg de beleving, soms tot ongekende hoogten!
Bruisend beleefde men zijn tijd, gezeten op vooruitgang, voort ging het, met alles, met bijna alles. Maar dit intens beleven eiste zijn tol, het beleven maakte kwetsbaar, in die honderd vijftig jaar verdween door al dat beleven het grootste deel van de ziel, zodat uiteindelijk het lichaam met de zenuwen achter bleef.
Morgen nog het restant van de rit, waarna we weer zullen zien waar de volgende reis heen gaat.
Plost kwam de kanteling over ons, het beleven verdween, in één klap, de gezichten, wie weet, ziét het ook, de mensen, ze lopen langs, zonder leven, zonder beleven.
In de aangebroken tijd zie ik ze, lopens door de straten, zittend op het terras, fietsend op het rijwiel, aan de arbeid in de fabrieken, het leven is, na de tussenstap beleven, uitgekomen bij een louter overleven.
Aldus schreef ome Willem.
---













