Hoeveel mensen hebben mijn site bekeken?

zondag 20 januari 2013

De winterreis 2013

Donderdag






Uitzicht op Vignale



Op weg naar Canelli

Door kleine stadjes

met fraaie kerkjes


Aan de horizon spookt het....

Bij de wijnboer, aan een "land"- weg

De wijnboer en zijn ech.


Op weg van Tutijn naar de Frejus






Het douanehokje bij Susa

In Frankrijk was het gelijk slecht weer.

Winterreis 2013

Woensdag




In de buurt van de klant in Rapallo

OP weg van La Spezia naar Parma, door de bergen

Prachtige viaducten






Vlak voor Parma






Winterreis 2013

Dinsdag




Na Lyon, opeens een extreme afscheiding van slecht en goed weer

In Montelimar sneeuw

Op weg naar het zuiden winterpanorama's

Maar vanaf Bagnols sû Seize is ineens alles over.

En op weg naar Nimes welhaast lenteweer.

De winterreis 2013

Maandag






Vanaf Charleroi, daar werd het licht.

Nadering Franse grens

Door de Noord-Franse vlakten

Van Vitry le Francois naar Bar sûr Aube

zaterdag 19 januari 2013

De nagedachtenis.

Tunnels zijn vreselijk, en ik meen mij bij het doorgaan altijd in al dan niet een verlichte rioolpijp te wanen: ze stinken, je ziet niets van de omgeving en bovendien zijn ze niet ongevaarlijk: toch hebben in de winter één voordeel.

Donderdagmiddag koeste ik vanaf Turijn pal naar het westen, inderdaad, richting Frejus, de bijna dertien kilometer lange tunnel van Italië naar Frankrijk waar zes jaar over gebouwd werd en in 1980 gereed kwam. Het weer was uitbundig zonnig, tien graden en er woei een onstuimig harde wind die boven op de gletsjers heuse sneeuwstormen veroorzaakten; een fascinerend vergezicht.

Eén voordeel heeft een tunnel, er valt nooit sneeuw. Vandaar dat ik deze ongebruikelijke omweg nam: via Zwitserland zou ik ongeveer twee uur korter rijden, maar de Grand San Bernard vertrouwde ik niet overmits ook de Jura vrijdag aan zware sneeuwval onderhevig zou zijn, benevens ook Albertville. Geen risico dus, al reed ik het aanvankelijk met een weinig tegenzin.

Toch: vanaf Turijn snorde ik de oude weg, en vooral op het eerste stuk was ik jaren niet geweest, maar ik kon mij er ook barweinig van herinneren en wat ik mij er van herinnerde zag ik nergens meer terug, bijna nergens.

Kennelijk herinner je dan iets dat er niet meer is, of, en dat is mij al meerdere keren overkomen, herinner ik mij iets wat in werkelijkheid nooit is geweest en blijken ze niet met de werkelijkheid overeen te stemmen, ook niet met de vergankelijke werkelijkheid.

Halverwege de route naar de tunnel passeerde ik Susa, althans, het voormalige douaneterrein; de ingang met het douanehokje stond er nog voor de helft, de andere helft bleek kennelijk afgebroken en verwijderd. Of? Had het er wel ooit gestaan?

Het liep tegen drieën toen ik naar boven klom, en niet veel later reed ik door de stinkpijp: halverwege ging ik de grens over.

Met herinneringen is het toch al eigenaardig gesteld: van de meest belangrijk gebeurtenis in zijn leven, van zijn geboorte, herinnert de mens zich totaal niets, maar misschien heb ik het wel mis.

In frankrijk bleek een ander weertype de overhand te hebben. Grote mist- en nevelwolken, boordevol ongein en potentiële narigheid, de sfeer was beklemmend, met een noodgang stoof ik het dal van de Maurienne door, langs de voet van L'Isèran, de Telegraphe, de Croix de Ferre, de Glandon en de Madeléne die allen gesloten bleken, eerst op weg naar Chambèry terwijl het langzaamaan begon te sneeuwen.

Inmiddels donkerde het reeds, reed na Chambèry door de L' épine richting Lyon en hoe westelijker ik kwam, des te minder sneeuwde het en die avond reed ik nog door tot voorbij Macon.

De volgende dag, vrijdag, de laatste loodjes, op weg naar huis en ook dit keer koos ik voor de laagste route, natuurlijk weer over Vitry en Charleroi, over de Franse stokbroodvelden die nu onder een dikke sneeuwlaag bedolven lagen en door een barre sneeuwwoestenij; slechts een dunne zwarter streep diende als richtsnoer door de witte velden waar alleen zo hier en daar een zwerm kraaien zich langs de weg ophielden.

Kraaien: misschien heb ik het mis, misschien is er een nog veel belangrijkere gebeurtenis in 's-mensens leven, want aangezien de mens aan de vergankelijkheid is prijs gegeven lijkt mij de vraag gerechtvaardigd hoe, hoevele en of de mens zich zijn nog belangrijkere gebeurtenis, zijn sterven, zal herinneren.

De nagedachtenis.

Aldus schreef ome Willem.


---

Op weg naar de Franse Alpen

Enorme bergen

vrijdag 18 januari 2013

De dreiging.

De uitzichten waren weer wondermooi, zowel die in Vignale als die in Canelli, twee adressen waar ik goederen ophaalde voor twee Nederlandse klanten, het maakte wederom herinneringen in mij wakker, paradijsherinneringen ditmaal, iets van voordat ik was, van het weten van de tijd vóór mij, dat ervaar ik keer op keer bij zulke vergezichten, alsof je in een terugblikspiegel kijkt.
Terwijl het krieken het duister verdreef reed ik eerst vanaf Vercelli naar Casale M, voluit Casale Monferrato geheten en dan over de SS 31 richting Alessandria, maar tussen San Germano en Occimiano rechts af, de geheimzinnige bergen in, de streek die aan de noordkant geflankeerd wordt door de rivier de Po, een smalle weg op door een glooiende streek, volslagen onbekend voor de gemiddelde toerist, maar waar een sfeer hangt tussen eeuwenoude historie, noeste landarbeid en serene rust terwijl na een kwartiertje het hooggelegen Vignale Mf, voluit Vignale Monferrato, opdoemde en net daar tegenover, op een nevenberg, moest ik wezen zodat mij een bijzonder uitzicht werd gegeven.
Natuurlijk was het allemaal weer niet klaar, "want ik zou", zo zei de boer -want het was bij een agrarisch bedrijf waar ik spullen voor Nederland ging laden, slecht 1 enkele pallet- "vandaag komen", Italiaanse logica, vandaag komen betekend hier nu eenmaal niet, de zaken gisteren in orde maken: driftig zette hij zich achter zijn laptop terwijl anderen de goederen op de palet stapelden: maar toen bleek, wellicht door de koude, de accu van de heftruck kaduuk te zijn: soms krijg je de indruk dat die goederen er altijd alles aan doen om hier, in Italië, te blijven.
Ondertussen nam ik de omgeving in mij op; het was fris, koud gewoon, net boven nul en in het oosten, zuid-oosten, zag het er onheilspellend uit. Witgrijze lucht vol onvervalste "neve", italiaanse sneeuw en het leek deze kant op te komen; als een ware witte toverbal trachtte de zon, opklimmend vanuit dat oosten, zich van de witte massa los te maken, maar hoe verder zij klom, hoe meer de sneeuwende massa mijn kant op kwam.
Natuurlijk, zoals gewoontegetrouw, waren de goederen een half uur eerder in het voertuig dan de papieren, en natuurlijk ging er weer van alles mis met de "papieren", meer mis dan vroeger, want nu gaat alles met de compjoeter en daar ging weer van alles mis terwijl de kaalhoofdige boer in lichte paniek begon te raken; waarom vind ik Italië toch zo mooi?
Maar goed, na een uurtje kon ik toch nog weg.
Eerst de heuvels weer uit, wat slingerend, dwars door de smalle straatjes van het dorpje Quargnento met een prachtige kerk en vandaar via Alessandria richting Canelli; even "boven" Canelli wachtte een tweede adres, boven, in tweeërlei betekenis, ten noorden en letterlijk: hoog.
Intussen had de zon ook gereisd, maar ze kon maar moeizaam boven het massagrijs uitkomen, de sneeuw naderde, in Alessandria had ik al enkele vlokken te pakken: als dit maar geen drama werd.
Nu ben ik best gek op kleine, smalle wegen, maar bij sneeuw betekend dat wel, dat, indien zij valt, je dan aardig de pisang kunt zijn, want ze worden pas als laatste of soms niet schoongeveegd; en in een dergelijk berggebied zou je zomaar voor dagen in de sneeuw vast komen te zitten: zelfs kettingen helpen dan niet meer. Vandaar dat ik met argusogen de naderende wolken angstvallig in de gaten hield; ik moest er even niet aan denken....




Ook ben ik wel wat gewend als het om smalle, bochtige wegen gaat, maar ook op dit vlak ervaarde ik een nieuwigheid: de klant zat boven op een heuvel-, zeg maar, bergtop en de uiterst smalle weg was nagenoeg loodrecht omhoog met een helling waar de Redoute of de Muur van Huy "U" zouden tegen zeggen: ik was blij dat het wegdek droog was, want de wielen waren dan onherroepelijk gaan slippen en mede gezien het naderende onheil uit de lucht sloeg ik, geheel tegen mijn gewoonte in, een kruisje, maar ja, in Italië, in het land van het Vaticaan, mag dat wel voor een keer.
Het stijlste stuk ging de 22 procent wel te boven, maar eenmaal boven loonde het de moeite: het was tien uur en de zon had zich weten te ontworstelen aan wolken, keek ik naar het oosten, zag ik vreselijk nimmerweer, blikte ik naar 't westen, een immens azuurblauwe lucht vulde dan mijn blik met héél ver op de achtergrond de witte Alpentoppen die als een reuzeketting in een halve cirkel het westen begrensden.
Hier was de zaak wel gereed en tegen de dame die voor verlading zorg droeg deelde ik mijn zorgen omtrent de naderende sneeuw mee, maar ze wist mij te verzekeren: het dreigende onheil zou de hele dag nog dáár blijven hangen en pas later, op zijn vroegst in de avond, maar vermoedelijk pas vrijdag, verder "deze" kant op komen. Eigenlijk was het gewoon jammer dat ik, toen de zaak er in zat, weer verder moest, dit, ondanks de dreiging, oord was gelijk een Hof van Eeden, en zo magistraal, in de sfeer van de winter: uit de kale druivenstruiken klonken strofen uit het langzame deel van Vivaldi's inverno, de Quatro stagioni.
Slingerend kwam ik uit midden in het nauwe centrum van Canelli en vandaar reed ik naar mijn laatste ophaalklant waar ik werd afgeladen, het adres even onder Turijn, Piobesi Torinese, waar spullen, die wij daar brengen, worden omgepakt en die wij daarna later weer ophalen. Inmiddels werd het, door invloed van een stralende zon, steeds warmer en rond de middag zelfs, ondanks het vriesweer van in de lucht, even over de tien graden. Nog steeds keek ik met een gemengd gevoel naar gindse wolken, maar de dame kreeg gelijk: de wolken werden door de onzichtbare hand geremd terwijl ik vanaf Piobesi naar het stralende westen afreisde.
Aldus schreef ome Willem.
---









donderdag 17 januari 2013

Altavilla Monferrato.

Gezicht op Vignale Montferrato.
---

Avondrood

Ooit ging ik met de trein, van Nice naar San Remo, maar ik weet er niet veel meer van, hoor, niet alles wordt als herinnering opgeslagen, ik weet alleen nog dat ik in San Remo het station uit liep en onder de indruk kwam van de voorname statige gebouwen en op de terugweg een fles negrita rum voor mamma Anita mee nam.

Vanmorgen, het was nog donker, natuurlijk was het nog donker toen ik weer vertrok, want het is 16 januari en ik begon aan de lange, lange weg met zijn vele tunnels, eind jaren zestig van de vorige eeuw gebouwd langs de kust door uiterst kiene constructeurs aangelegd als een ultieme verbetering van de Via Aurelia: geen bocht ligt verkeerd.

Het is eigenlijk ongelofelijk, met mijn ogen nam ik ook geen bocht verkeerd, mijn ogen die reeds zestig jaar dienst doen en in het vroegdonkere morgenuur verbaasde ik mij daarover: iets, dat je niet eens zelf hebt aangeschaft, blijkt onverminderd goed functioneren, als een adelaar zien zij alles.


Kort na de treinreis zou ik het nog wel geweten hebben, de prijs van het retourtje, het uitzicht tijdens de reis, de mensen die ik zag, het gezicht van de conducteur, hoe de grens werd gepasseerd, maar kennelijk wordt in het verloop van de tijd een groot deel van de herinnering geschrapt. Vreemd is dat.

San Remo, Imperia, Albenga, Savona en Genova, en juist toen het morgenrood op zijn mooist was, reed ik even voorbij Genova langs Ruta, een dorpje waar Nietszche de laatste hand aan zijn Morgenröte legde, een boek dat hij eerst een paar andere namen gaf, maar na zijn ingegeven uitspraak: "Er is nog zoveel morgenrood dat niet geschenen heeft", kreeg het zijn definitieve titel en het is eigenlijk zijn eerste echte boek dat hij na zijn breuk met Wagner en zijn ontslag als professor aan de universiteit van Bazel, heeft geschreven.

Niet alleen hetgeen je ziet kan als blijvende herinnering in jezelf achter blijven. Ook wat je hoort, ruikt en voelt kan, elk op eigen wijze, worden herinnerd.


In een klein dorpje tussen Genova en La Spezia haalde ik wat spullen op voor Nederland waarna ik weer vertrok, nu via La Spezia richting Parma, de weg dwars door de Ligurische Alpen en waar het vanaf Pontremoli sneeuwde, heel erg sneeuwde, maar hoewel ik niet veel met dat witte spul heb, de bergen lagen er als sprookjes bij, zeker toen de zon zich even door de sneeuwende wolken heen wist te boren: ik wist dat ik even getuige was van een uniek vergezicht waar alleen sagen van vertellen; nergens is de sneeuw zo mooi als hier, op italiaanse bergen; betoverd snorde ik voort.

Eigenaardig: je kunt alleen datgene als herinnering opslaan wat je zelf hebt meegemaakt: een herinnering is niet overdraagbaar én, een herinnering is onzichtbaar. Nooit zie je een herinnering van een ander.

Trouwens, het koudemonster is diep doorgedrongen in Europa, zelfs de bergen aan de zeekust waren al met sneeuw bestrooid en zodat je maar even hoger kwam, overal wit en hoewel het net even boven nul was, lag er in de streek rond Parma een dikke tien centimeter, overigens wel op weg snel te smelten; net na middagpauze kon ik, even voor de stad, drie paletten kwijt.

Van Parma naar Milaan is al gauw twee uur, en dan moest ik nog een stuk naar het noord-westen zodat ik er geen rekening mee hield de volgende, en laatste klant, nog te lossen. Maar Milaan "liep" erg goed, geen file of andere narigheid. Bovendien bleek, dat het vanaf Piacenza helemaal niet had gesneeuwd, integendeel, het was er de hele dag vermoedelijk zonnig geweest en tot mijn eigen verbazing lukte het nog de klant in Buscate te lossen, zodat ik weer verder kon.

Niet veel meer, want de tijd was aardig op en via Turbigo reed ik eerst naar Novara. In het westen daalde de zon reeds diep en bescheen de majestueuze Alpen in het noorden: de enorme, witte reuzen kregen kleuren, steeds meer. Karmozijn, oker en goudbruin, de avondzon veroorzaakte een vredig mozaïk op gindse bergen, zo mooi!

In het donker naderde ik Vercelli, een desolaat stadje zonder muren midden in de westelijke Po-vlakte en ik besloot er de rusturen te nemen.

De dag staat inmiddels weer in het geheugen, verbazingwekkend dat het kan, het kán! De onstuimige zee, de prachtige bergen in wintertooi, en dan opeens de ondergaande zon, ik nam het waar met ogen, weliswaar "mijn" ogen, maar in hoeverre is iets van mij als ik het mijzelf niet gaf? Niet kocht?

Het zijn de vele raadsels van de avond. En er is nog zoveel avondrood wat nog moet kleuren.


Aldus schreef ome Willem.
---

dinsdag 15 januari 2013

15 01 2013

De meesten waren een stuk ouder, hadden, zogezegd, de oorlog nog meegemaakt, de kruidenier met de blauwe kiel die niet vroeg hoeveel ons kaas, maar combien tranches, hoeveel plakjes ik wenste; al jong leerde ik kleine culturele verschillen; de oude slager, altijd rondlopend met een enorm mes en waar ik Fromage du tête leerde eten; die was toen al oud.

Een enorme sneeuwlaag had in de loop der nacht de aarde bedekt en toen ik het gordijntje een weinig opende en vanachter de stoel de nog duitere wereld inkeek zag ik niets dan wit: sneeuw is ook in het donker wit.

Vanzelfsprekend had dit een vertragende werking op het verkeer, deed er dubbel zolang dan normaal over om de eerste klant te lossen, en eveneens twee keer zolang voordat ik goed en wel koers naar het zuiden kon zetten.

Lyon was aardig ontregeld, en ook aldenaars druk terwijl ook de route du soleil veranderd was in een rout' du neige; sneeuwbuien kwamen af en aan alsof ze de milieumaffia het zwijgen wilden opleggen: niets opgewarmde aarde!

Na Valence ging het een stuk beter en vanaf Montelimar was er eigenlijk niets meer aan de hand; slechts wat sneeuwbuien raasden over het stadje, maar op de weg bleef het niet liggen.

Het volgende losadres was Nimes en ik besloot, na koffie met een nogablokje in Montelimar, via Bagnols te snorren; aan de horizon lichte plekken terwijl de sneeuwval steeds dunner werd, passeerde vele plekken waar ik in een reeks van jaren diverse herinneringen achterliet.

Nimes was er rond vier uur uit en dus vertrok ik, nu pal naar het oosten voor een reis van vele honderden kilometers langs de kust, de Côte d' Azur en de Riviera en al snel reed ik door de vlakte waar een slordige honderd jaar geleden een tijdlang een zonderlinge schilder afkomstig uit het Barbandse Zundert heeft rondgewandeld en in Arles de straten met hun statige eiken schilderde, hoge bomen, die in de jaren dertig vervangen werden door platanen.

Herinneringen achterlaten, en tegelijkertijd met je meedragen, het is bijzonder waarmee het denken zich bezighoud, kán bezighouden. Net voor Nice kom ik langs de plaats waar ik ooit langere tijd toefde, Villeneuve en in gedachten ben ik weer even in het dorpje van weleer.

De kruidenier en de slager bestaan alleen nog in herinnering, eveneens de altijd in wit gekleede eigenaar van de buurtsuper Casino. Madame Pierot, die altijd van vier tot zeven nog even kwam bijverdienen, toen al ruim in de 50, zou nu negentig kunnen zijn. Of is zij ook niet meer dan een verre gedachte.
Misschien dat het toen nog jonge dametje bij de boulangerie nog leeft, meer is dan louter herinnering.
Wie zou er in dat dorpje nog leven die zich mij herinnert? Ontsteltenis maakt zich meester van mij, want diegenen, die dat zouden kunnen ontkwamen niet aan het geweld van het graf; ze zijn niet meer en met hen, verdween ook hun herinnering en het verhaal wat ze erbij hadden.


Na Nice een onheilspellende klim, opeens hoog in de bergen en diep beneden de zee, de eindeloze zee en ik vroeg me af waar meer van zou zijn: van zee of van herinneringen.

Vlak voor Italië, hoog boven de afgrond, onder de kust, je komt door een bocht een tunnel uit, de helling van de berg is loodrecht en de bergwand er tegenover evenzo loodrecht stijl naar beneden; ertussen een brug met flauwe bocht die van tunnel tot tunnel rijkt: wie dit maakten moeten wel gek geworden zijn, dan kom ik Ventimiglia via een lange afdaling binnen.

Aldus schreef ome Willem.
---

De eigenweg.

Oude, beproefde en gangbare wegen lagen vanmorgen weer vóór me, de laatste maanden voornamelijk in het bedwelmende duister van de nacht, en, waar het donker en weinig wijkt, in het licht van neon-lantarens hoog boven de weg.

Dit keer was het ook koud, en na Brussel ook nog wit terwijl de profeten veel onheil voorspellen, ook in de streken waar ik deze week zal toeven, maar vooralsnog ging het goed, ondervond geen enkele vertraging.

Nog steeds houd het mij bezig, roer ik mijn gedachten om en ontdek steeds nieuwe gezichten, vergezichten, ook vandaag weer, toen ik, al rijdend, langs een lange rij met rijp bedekte bomen keek, daarachter grimgrijze lucht en door de witte takken heen zag ik langzaam de enorme formaties zich sluiten tot één geheel, één grijs geheel: na de zonnewende wordt het weliswaar lichter, maar doorgaands ook kouder, onstuimiger, alsof iemand een strijd wil aangaan, het licht wil doven, voorgoed wil doven.

Zo snorde ik voort door het noorden van Frankrijk, over lange, verlaten wegen waarlangs immense strokbroodvelden onder een dunne laag sneeuw te ruste lagen en het bleef maar koud terwijl dikke wolkenpakken voorbereidingen troffen om de weerprofeten niet al te zeer te grieven: het witte spook kon dra overal gaan ronddwarrelen.

Terwijl ik Bar sur Aube en Dijon passeerde struinde ik door de kaartenbak van mijn geheugen, op zoek naar de verklaring van hetgeen ik achter het grimgrijs tussen de sneeuwwitte takken door zag, vond het, maar echter zonder woorden zodat ik verder ging, op zoek naar een passende tekst.

Inmiddels was de omgeving allang weer groen en viel het duister alweer in; het licht week naar alle kanten en binnen hetzelfde inmiddels waren, boven mij, de wolkenpakken stevig samengeklonterd, wachtend op het tijdstip van de weervoorspellers, wachtend op het moment en uur dat de profeten te tijd van neerslag in de media hadden laten optekenen, gehoorzaam wachtten ze, blijkbaar, op dat moment.

Opeens vond ik woorden, stamelend; weerprofeten, de vermeende wijsheid waarmee ze wolken tellen lijkt op de arts die de mens zijn geheim ontravelt waardoor voor betovering geen plaats meer is; de wonderen uitgebannen, alsof een ongeloof troost kan bieden.

Overdadige neonverlichting hangt boven de brede straat; Lyon is binnen bereik, Lyon, of nauwkeuriger, Meizieu, mijn eerste halte deze reis na een eerste dag zonder narigheid; nog is het sein "val nu" kennelijk nog niet gegeven.

Wie eigen wegen gaat, ontmoet niemand, dat brengen eigen wegen nu eenmaal met zich mee, zodat het voor vrienden zelfs een raadsel is waar ik mij bevind, naar waarheen ik ga.

Aldus schreef ome Willem.
---

zaterdag 12 januari 2013

Hamburg

Doortocht door Hamburg.





Eerst richting Altona



Dan achter het centrum langs

Nét Amsterdam, toch?

zeker met al die fietsen


Op weg naar de Elbebrug



In het midden de eerste oude brug 

De zijkanten zijn van ver NA de oorlog