Het was
voorjaar, misschien zelfs al een beetje zomer en hoe ik er aan kwam weet ik
niet meer, zo’n overdikke zaterdageditie van De Telegraaf van ruim 120 pagina’s.
Jazeker, goed geraden, in de tijd dat er nog marken, franken, peseta’s drachme’s
en lires in de Europese omloop waren; in de voorsmartfoonse tijd en ik zal hem
gekocht hebben voor een prijs van tussen de 4.000 en 5.000 lires in de tijd dat
er voor 1.000 van deze lires één gulden zestig moest worden neergeteld.
Reeds was ik
uit de watertaxi vanuit Punte Sabbioni gestapt en wandelde door de stad waar in
1883 Richard Wagner overleed naar het plein, het enige plein van de stad; het Piazza
San Marco met een enorm terras vol met witbeklede tafeltjes waarop, op dat
moment, werkelijk niemand aanwezig was, liep naar het midden en nam er plaats
om in het morgenuur -het was omstreeks negen uur- de door mij meegetorste krant
te gaan lezen en vanuit een ooghoek zag ik reeds een in smetteloos wit kostuum
een ober aansnellen; ik bestelde een cola en stelde mij voor dat hier
regelmatig Cosima te vinden moest zijn geweest die hier thee of een koffie had
gedronken; eerst met, later zonder Richard.
Het duurde
niet lang of de ober keerde, nadat hij na mijn bestelling wegliep, terug met op
zijn opgeheven rechterhand een dienblad met daarop een vuurrood blikje Coca-cola,
zonder glas of rietje, zette het op het witgedekte tafeltje neer en
presenteerde de rekening, tienduizend lires, omgerekend 16 guldens en deze, wederom
omgerekend, een goede 8 euro: 1991, het bonnetje heb ik niet meer….
De jaren
gaan en gingen voorbij; we fietsten vanuit Isola Verde naar het eeuwenoude
Chioggia, een stadje op dezelfde wijze opgebouwd als Venetië, zij het met
nauwelijks toeristen en een stuk kleiner in omvang. Vanuit de noordkant van het
stadje voeren we over naar het eiland met het gelijknamige plaatsje Pellestrina
en fietsten een 12 kilometer in noordelijke richting.
Vanuit Santa
Maria del Mare staken we met de veerboot over naar een volgend eiland, het Lido,
werden afgezet nog vóór Alberoni en trapten in tegenwind verder, passeerden
Malamocco en even na de middag arriveerden we bij het water- en busstation van
Lido Venetië waar we de fietsten stalden en overstaken naar de met toeristen
overladen beroemde stad waar nog steeds het Piazzo San Marco te vinden was. Dit keer was ik weliswaar zonder Telegraaf,
maar niet alleen omdat we met z’n tweeën waren en daarnaast ook nog eens met
duizenden anderen, toeristen geheten, dus geheel anders dan in 1991 toen het
bezoekersaantal nog te overzien was.
Uit één van
de vele koffiehuizen klonken semi-klassieke klanken voortgebracht door een
klein orkestje van een man of zes, ervoor een terrasje met tafels voorzien van crèmekleurige
lakentjes en we besloten er een kopje cappuccino te drinken.
Na enkele
minuten bracht cameriere Erik gekleed in een kostuum van dezelfde kleur als de
tafelkleedjes de twee bestelde drankjes, vergezeld met een bonnetje, zijnde het
afrekenbedrag.
32 euro,
totaal, het zou destijds 40.000 lires geweest zijn en we kwamen tot de
conclusie dat er tussen 1991 en 2026 een verdubbeling van de consumptieprijs
had plaatsgevonden
Tijdens het
nuttigen van de cappuccino en luisteren naar de muziek stelden we diverse van
de ons bekende mensen op de hoogte van de cappuccinoprijs op het onderhavige
plein; één van onze dochters reageerde met de vraag of er soms gouden suiker
bij zat. Hoewel de kleur van de rietsuiker goud was, moesten we haar
teleurstellen en we gaven als antwoord dat er zelfs geen zilver lepeltje bij
zat; wél 2.91 belasting.
En dat de
kelner Erik was wisten we omdat dat op het bonnetje stond. Dát weer wel.
Aldus schreef
ome Willem