Hoeveel mensen hebben mijn site bekeken?

zaterdag 12 januari 2013

Deze week, eerst terug.

Maandag ging de reis weer verder, vertrok uit Ljubljana richting Italië.  En daarna naar Nederland.







Eerst even in Medvoda de achtersteven repareren

Toen, via een stukje echt oude "autoput" naar Kranj

Dan, op weg naar Italië, waar het steeds mooier weer werd

Laadste stadje in Slowenië

Lange rechte weg naar Conegliano, let op de hoge bergen op de achtergrond

De Tagliamento

Wijnvelden langs de Bodensee


Zwarte Woud

donderdag 10 januari 2013

De Dodo.

Donker, en ik reed Bahwinkel voorbij en in de verte zag ik de eerste lichten van Hassellüne, een klein stadje op de Bundesstrasse 213 waar, sinds er vrachtwagens bestaan, de familie Brümmer een Fernfahrerrestaurant bestiert en vermoedelijk heeft zelfs Anton Dreesman, (Jawel, één van de oprichters van V en D) die in het stadje werd geboren, er wel eens koffie gedronken.

De B 213, de weg tussen Denekamp en Wildeshausen waar vroeger al het verkeer naar het "noorden" (Scandinavië, Hamburg) overheen denderde, men reed dwars door Lingen, Löningen en Cloppenburg. Tegenwoordig rijdt de meerderheid via de snelweg om en om de meeste dorpjes ligt nu een omweg. Alleen oude rotten en kenners komen nu nog over de B 213 en stoppen bij Brümmer; het is eigenlijk een beetje een tomtomvrije weg geworden.


Gisteren besloot ik de reis vanuit Ljubljana door om een tijd dat vrijwel iedereen nog ligt te snurken te vertrekken en over een verlaten asfaltvlakte naar Nederland te reizen: ik waande me in 1976, toen de "61" net klaar was; overdag was het toen net zo stil als nu om drie uur in de nacht.


Ooit leefde op Mauritius een loopvogel, de Dodo, maar die stierf al snel uit kort nadat de mens daar voet aan wal zette, rond 1635. Maurits en de Dodo, opeens, tussen Bahwinkel en Hasselünne ontdek ik een geheimzinnig metabletisch verband.

In Nijkerk loste ik de vracht die ik uit Italië had meegenomen en vervolgens stopte ik een nieuwe vracht in de oplegger, nu voor de streek met de lange schaduwen deze tijd van het jaar, Hamburg, maar omdat ik -te- vroeg was vertrokken, stond ik ook erg vroeg stil; ik kwam Nederland al niet meer uit.

Even na de eeuwwisseling 1600-1601 nam een negentienjarige Oostfries dienst in het leger van de prins, niet onverdienstelijk, want al spoedig werd hij bevorderd tot Generaal van de Artillerie, iemand dus die zijn mannetje stond: menig spanjaard werd door hem en zijn trawanten in de pan gehakt.

Vanmorgen vroeg kwam ik er langs en ik tracht de beelden voor mij te halen, tussen Bahwinkel en Hassellüne en in gedachten verzonken denk ik aan enkele strofen van ons vaderlandselied:
"Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht",

In gedachten zie ik paarden, rossen, soldaten met harnassen, Zweedse, Prinselijke en Keizerlijke, een dolle boel, juist vandaag, 10 januari, werd hier in 1636 een veldslag geleverd met een fnuikend resultaat voor de Dappere Dodo.

Twee adressen Hamburg, ééntje net na de Elbetunnel waar het altijd druk is; na het kopje koffie in Hassellüne kwam ik daar rond elf uur aan en na een half uurtje kon de bubs er uit waarna ik eerst nog bij een kleine verffabriek te Pinneberg wat ging afleveren. Daarna had ik nog één klant, aan gene zijde van de stad, dus reed ik via Altona en het Volkspark naar de Elbebrug. Rond half vijf had ik ook daar de spullen gebracht en toog ik herwaarts, terug naar Nederland en binnen de rijtijd kwam ik exact tot Hassellüne waar Frau Brümmer mij lekkers voorschotelde.

Nee! Niet Dappere Dodo van het eerste Nederlandse televisieprogramma voor kinderen dat vanaf 1955 ongeveer tien jaar te zien is geweest: die heeft er niets mee te maken en een metabletisch verband is er niet. Vooralsnog niet.

Ongeveer gelijk met de Dodo in Mauritius, stierf hier, op 10 januari (Juriaanse tijdrekening) misschien wel op dezelfde plek waar nu mijn vrachtwagen staat, Dodo Freiherr zu Innhausen und Knyphausen (1583–1636), generaal in het leger van Prins Maurits omdat hij vermoedelijk net even te laat bukte voor een aanstormende kogel uit de loop van een geweer van een Zweedse soldaat.

Vermoedelijk staat hij, die hier in het heets van de strijd stierf, Dodo Freiherr zu Innhausen und Knyphausen , afgebeeld als één van de personen op De Nachtwacht van Rembrandt van Rijn, lange haren, smal gezicht en prikogen.

Als prenataal bewijs voor de metabletica.

Aldus schreef ome Willem.
---

woensdag 9 januari 2013

Ljubljana in concert

In de stad, overal werd gemusiceerd.  Hier door een ware virtuoos die alles uit zijn hoofd speelt.















  

En luister hier, als hij de vierjaargetijden van Vivaldi speelt.








En opeens, ergens anders, een pianist.  Wel eeen merkwaardige entourage, zeker óp de piano.....










In der middag luister ik nog even naar een solo-saxofoon












Een weekend in Ljubljana

Op weg naar Slowenië

Aankomst in Ljubljana

De stad

Stadhuis

Grote plein


Kastanjeverkopers

De fruitmarkt


en op de markt, deze eigenaardige bomen.



Allen hier merk je, dat de stad tussen hoge bergen ligt geklemt.







Leuk grapje

Op de achtergrond, het station



En dan, zomaar ergens in de keuken... Kameraad TITO!

3 en 4 januari 2013

Onderweg, hier net in Zwitserland

In de middag de Alpen door, op weg naar Italië



Hier in de vlakte rond Turijn, vrijdag.

Een gezellig etablissement waar ik wel vaker kwam

Prachtige bergen op de achtergrond.


Een dorpje, net boven Asti


Ziehier, de Alpen aan de noordkant, in de buurt van Milaan.


dinsdag 8 januari 2013

Mystiekloos.

Helaas, helaas!

Vandaag liep ik, naast een heel traject rijden, rond, rond in twee supermarkten, één in Duitsland en één in Oostenrijk, en voor een opfrissing en versnapering in enkele horeca-instellingen en overal hoor je het en: het irriteert mij bovenmate.

Ook op de adressen waar ik los of laad, overal hoor je herrie, nergens schijnt men nog te kunnen verblijven zonder, niemand kan, schijnt te kunnen tegen de geluiden van de stilte, maar er is meer, erger meer.

Héél vroeg vertrok ik, eigenlijk uit noodzaak want ik had vanwege een defecte kachel uiterst slecht geslapen. Vroeger, ja, vroeger loste je zulk euvel op om even een stukje te gaan rijden, motorretje warm en weer even slapen, maar ja, in het Verenigde Europa hebben we zo een voortreffelijke rijtijdenwetgeving dat ik mij desnoods maar dood moet laten vriezen; als het voertuig maar stil heeft gestaan en het interesseert kennelijk niemand ene malle moer hoe fris na zo'n slapeloze vorstennacht de bestuurder achter het stuur plaats neemt.

Na een half uurtje vond ik een koffietent, ik was er echt aan toe en hier, in de vroege morgen, ook weer de radio aan en atijd weer met popse muziek dat natuurlijk helemaal geen muziek is. Nee! Zelfs de beluisteraars en producenten noemen het geen muziek hetgeen tot uitdrukking komt in het feit dat ze hun herrie benoemen met "een mooi nummer".

Een nummer!

Ik weet het, ik weet het, ik schrijf thans voor blinde ogen, maar toch! Wagner, en met hem alle anderen, hebben hun doel bereikt: we werden allen gevangen in de macht van de dissonanten, in supermarkten wordt het, om de verkoop te bevorderen, met dat doel ten gehore gebracht en allen, wij allen tuinen er met open oren in, kopen maar raak want we zijn verdooft geraakt, de herrie vermoorde onze ziel, bedwelmde onze geest, ontheemde ons van vrijwel alle mystiek, devotie en eerbied. Onze hersens zijn verziekt door de ziekmakende klanken, onze geest uitgeblust en we bezitten nauwelijks een beetje afwezig bewustzijn.

Natuurlijk, de goede niet te na gesproken: een Mahler, Brahms, Bruckner hebben getracht de sluizen te dichten die Wagner opende, maar hoe goed ook bedoelt, ook zij gingen kopje onder: nooit bereikten ze hoge glans als weleer, van de tijd voor Wagner! Schubert voelde het al aankomen, begint vaak fenomenaal, maar opeens, opeens raakt hij radeloos, verwarring alom en daarom ademen zijn gecomponeerde klanken zoveel heimwee: hij had Beethoven nog gekend, ja, was op diens ter aarde bestelling; het maakt het, des te meer, zo tragisch.

De mens, de moderne mens, zij holt en rolt maar voort, en altijd maar met verdovende klanken, popmuziek als nieuwe religie en wee de mens indien die daar wat van durft te zeggen.

Oostenrijk kwam ik binnen via de Brennerpas, reed het uit bij Bregenz en de hele weg om mij heen stonden aan weerskanten weer de eeuwige, vaak beboomde, bergen, wakend als voorname vorsten, thans gekleed met witsatijnen gewaden; ze fluisterden tegen elkaar, wellicht gaven ze aan elkaar door dat ik in aantocht was.

Maar, zoals ik al aangaf, er is meer! En erger!

Nu de oren bezet, bezet door de wangeluiden van de bezetter, is een volgende fase aangebroken, want niet alleen het oor; ook het oog moet eraan: ook daaruit moet alle devotie, smaak, eerbied en voornaamheid worden uitgerukt.

Steeds vaker maak ik het mee, ook vandaag weer, een vader en moeder met twee kinderen, zeven, misschien tien jaar, en beide onderuit gezakt aan het tafeltje, een ieder loerend op z'n eigen spelletjesding, leptop of ijpot, of hoe die dingen ook mogen heten, de limonade keurde ze nauwelijks een blik waardig, pa en moe aan de koffie: kinderen doen niets anders meer en elke keer als ik het zie komt de weerzin in mij boven.

De Bodensee, de kale wijngaarden, het besneeuwde zwarte woud, Friedrichshafen, Singen, Tiberg en Offenburg, de hele dag had ik geen radio aan, samen was ik, alleen samen, met de geluiden van de snorrende Daf.

Met hem kwam ik nog voorbij Worms en zocht een parkeerplek op. Na de oren moeten kennelijk ook de ogen worden vernietigt, het zicht worden vertroebeld. Het is één grote wansmaak.

Op begrip reken ik al niet meer: wie o wie kijkt nog vol verwondering naar een boom, die met zijn in het diepe duister gelegen wortels de stam en bladeren in het licht laat leven? We hebben het toch allemaal verklaard, begrepen en gesnapt?
Wie begrijpt het leven van de steenbok in de hoge Alpen? Wie dat van de herten? In de bossen van het Zwarte Woude werpen zij in stilte hun jongen, ze groeien op, eten blad en koren, ze gaan bij de hinde weg en keren niet weer terug tot haar. En wie volgt en kent de vissen van de Bodensee als bliksem, storm en onweer over haar vlakte jaagt?

Na eeuwen gebeurde het ontzettende: de mens werd mystiekloos.

Door het dunne wolkendek zie ik de maan bleek hangen, een enkele ster doet mee, de rest lijkt absent.

En het hoeft ook niet. U hoeft mij niet te begrijpen.
Aldus schreef ome Willem.


---

Peczey Gladznst

Te paard

In de stad aan de oever van de Laibach

Mahler

maandag 7 januari 2013

Mystiek

Was ik gisteren de man zelf in Ljubljana nog tegengekomen, vandaag eindigde voor mij de dag in de stadje waar de grote meester in alle rust en geïnspireerd door de mystieke natuur, de meeste van zijn werken schreef.

Tijdens de vele reizen die ik met het vitale Dafje maak vindt er wel eens slijtage plaats en nog op tijd ontdekte ik dat er een scheur zat in de ophanging van het achtersteven zodat ik, voordat ik het onderweg zou verliezen, uit voorzorg demonteerde.

En aangezien ik, zoals bleek uit de voorgeschiedenis van deze reis, nogal ruim in de tijd zat, besloot ik, uiteraard in overleg met het thuisfront, het zaakje te laten maken bij zo ongeveer de enige DAf-dealer die Slovenië rijk is en zo kwam het dat ik rond half acht bij de garage in Medvoda stond waar het achtersteven van de trekker weer in ere werd hersteld.

Zo begon deze maandag; van de omgeving zag ik niets daar er een hardnekkige mist de omgeving grijs hield, rond tien uur vertrok ik, met een gerepareerd achterspatbord, op weg naar Kranj waar ik de goederen voor de laatste klant die ik in de kar bij me had afleverde.

Merkwaardig eigenlijk, nog niet zo lang geleden wist in niet veel van hem, maar van lieverlee kreeg hij mijn interesse, zeker wat zijn levenloop betreft en eigenlijk minder om zijn muziek, muziek, helaas, van ná Wagner. Maar zijn leven daarentegen maakt hem boeiender dan zijn composities; de man moet veel geleden hebben, zeker ook na de diverse teleurstellingen die hij beleefde in Alma, zijn echtgenote die hem overigens decennia overleefde.

Van Kranj ging het terug, weer terug naar Italië en via Palmanova en Pordenone kwam ik in Ronchedelle di Ormello aan, een klein dorpje, maar met een enorme fabriek waaruit ik lading kreeg voor een Nederlandse terugvracht.

Vanaf Postonja was de mist geweken, de zon scheen uitbundig en in een heerlijke lenteroes kabbelde ik voort over de kaarsrechte Italiaanse weg met op de achtergrond - weer- die bergen en toen ik weer eens over de brug van de Tagliamente reed keek ik en salueerde in gedachte even naar rechts: inmiddels weet men wel waarom.

Nee, hij is niet oud geworden, maar wel Rooms Katholiek, dat moest wel, wilde hij, als Jood, door de keizer geaccepteerd worden als concertmeester van het Weense nationale orkest, maar het is nooit van harte geweest. Trouwens; hij is er, ondanks zijn uitnemende klasse, ook enorm tegengewerkt.

Het plaatsje Ronchedelle lag niet ver af van Conegliano en daar snorde ik ook naartoe toen ik de kar weer vol zat, op weg naar het noorden; eerst naar Belluno en via Cortina naar Toblach dat in de merkwaardige streek Zuid-Tirol ligt, Duitssprekend Italië, nog een ervenisje van Adolf en juist hier in Toblach (of Dobiacco) verbleef de man voor wiens standbeeld ik gisteren nog enige tijd ben blijven staan: Mahler, Gustaaf Mahler die hier, even verderop links, veel van zijn composities schreef.

Het is inmiddels koud geworden, even bezocht ik Hans, een gezellig etablissement hier op loopafstand, de hemel is open, ontelbare sterren overlichten het groene Dafdak; sneeuw wordt er pas vrijdag verwacht. Om mij heen is het doodstil, ik begrijp Mahler wel: het was toen natuurlijk nóg stiller.

Hoe meer ik tot hem naderde en leerde kennen, hoe geheimzinniger hij voor mij werd en zo ontdekte ik dat mystiek niet ver weg achter hoge Alpenreuzen ligt verscholen, of wat hoog tussen de sterren zweeft, maar dat je dichtbij aantreft indien je kijkt in de ogen van een ander mens of als je een blik wordt gegunt in de ziel van andermans voorbije leven zoals Mahler die hier, nog géén honderd jaar geleden, rond heeft gelopen.

Aldus schreef ome Willem.

---

zondag 6 januari 2013

De Wekker

Stelt u zich voor: er gaat een gerucht dat er iemand in de omgeving leeft die doden tot leven opwekt, hoe zou men zich voelen? Blij? Of juist uitermate ongemakkelijk? Wie weet treft men dan weer iemand aan van wie men liever had dat hij of zij dood was, dood bleef, in dit geval. Rusteloos schuivelt men op zijn stoel heen en weer.

Al spoedig was ik op weg en passeerde San Giorgio di Nogaro en sloeg bij Cervignano del Friuli links af, op weg naar Gorizia waar mij weer eens een adembenemend uitzicht vergunt werd op de enorme hoge en mooie sneeuwwitte Alpen terwijl ik wist dat voor die Alpen zich het stroomgebied van de Tagliamento, Brenta en Piave ligt, een enorme vlakte waar steden liggen als Pordenone en Conegliano, een vlakte waar in de buurt van eerstgenoemde rivier een Fortuin begraven ligt, slachtoffer van onheuse bejegeningen, van mediahetze.

6 januari, driekoningen, een bij uitstek Roomse feestdag, dan wordt gedacht aan drie wijzen die een ster zagen die hen naar het broodhuis voerden en afgezien die wijzen vermoedelijk geen koningen waren en er nergens sprake is van drie (dus zouden het er ook twee of meer dan drie kunnen zijn geweest) staat wel vast dat rond het begin van onze jaartelling tot drie (hier dus wel drie!) keer twee dwaalsterren, Jupiter en Saturnus, samenvielen en dit drie keer in èèn jaar gebeuren, zo vertellen mij astronomen, kwam ooit slechts èèn keer voor en zal nimmermeer voorkomen. Dit gegeven heeft een bijzonder aspect.

Nog voor elf uur nam ik afscheid van Italië en sloop onverdacht Slovenië in waar het leek of iedereen was thuis gebleven: het was stil op de weg, uiterst stil, maar ja, zo zaterdags voor Driekoningen; wellicht was men zich aan het bezinnen. Zo kwam ik langs Poštonia en nog voor de middag vond ik een parkeerplek in het voormalige Laibach, het tegenwoordige Ljubljana, net aan de uitvalsweg van de voormalige autoput, een weg van Ljubljana tot aan de Griekse grens waarbij men ooit door Zagreb, Beograd, Niš en Skopje kwam, een brede tweebaansweg die driebaans functioneerde; brutaal haalden men met tegenliggers in en wilde je opschieten, diende je je als een ware wegpiraat te misdragen, brutaal, lef, daar ging het om en het was tevens Tito's oplossing om van de echte verkeerspiraten af te komen, want op zeker moment kwam een bruut een even zo grote bruut als inhalende tegenligger tegen en was men in één klap van twee wegmisbruikers verlost en als herinnering liet men de geklapte voertuigen jaren in de berm achter.

Die zogenoemde wijzen namen de eerste conjunctie waar, Saturnus die achter Jupiter schoof, een gebeurtenis van slechts enkele uren, maar wel een gebeurtenis waardoor ze een lange reis ondernamen, op weg naar het westen, op weg naar de gewesten van de ondergaande zon en zonder verdere aanwijzing, de conjunctie was alweer een tijd geleden, geen ster meer te zien dan alleen de gebruikelijke.

Het was nog fris, de morgen, maar met mijn rode unoxwantjes aan trotseerde ik de koude en fietste naar het centrum van de eeuwenoude stad om er, na een reeks van vele jaren, weer eens poolshoogte te nemen, wellicht vond ik er een schaakcafé of een handelaar in oude munten. Al snel werd het warmer, rond een uur of twee stak opeens een tijdlang een stevige bries uit het zuiden op die warme wind aanvoerde; plotseling leek het voorjaar, het werd over de zestien graden; niet alleen de wantjes, ook de jas ging onder de snelbinders.

Tsjonge, eindelijk, na weken, maanden wellicht, op weg te zijn geweest komen die wijzen aan in de streek waar Quirinius landvoogd over was en waar een enigszins achterdochtig heerschap dat luisterde naar de naam Herodes als koning heerste. Dat mannetje was dermate achterdochtig dat hij enkele eigen zonen, die troonopvolger zouden kunnen worden, vakkundig uit de weg had geruimd. Stel je voor, zeg! Komen daar opeens een paar vreemdelingen op kamelen voorrijden en vragen dan of hij, Herodes, soms weet waar kort tevoren, zo lazen zij uit de ster, een koningskind was geboren.
"Een kind geboren? Wat? Een koningskind? Nau ja, zeg! Nee toch? hoor 's effe, ik heb er net een paar uit de weg geruimd!" zal de wreedaard gebriest hebben. De argeloze vreemdelingen zullen wel even geschrokken zijn van die reactie, maar toch, via andere geleerden verkregen zij verdere informatie: ze behoefden niet al te ver meer te reizen: sta je hoog op één van de heuvels van ירושלים zie je reeds בית הלחם liggen en juist toen ze weer op weg gingen vond op dát moment weer een conjunctie van de twee planeten plaats. Al die tijd hadden ze gereisd zonder enige verdere aanwijzing: ze moesten dan toch wel erg zeker van hun zaak geweest zijn.

De hele middag toefde ik in de Sloweense hoofdstad, kwam over de vele bruggen die over de kleine rivier Ljubljanska liggen; op één van de pleinen speelde een vioolvirtuoos magnifieke muziek: Mozart, Bach, Vivaldi en Brahms hoorde ik voorbij komen, soms begeleid door een keyboard en er omheen een grote groep van Slowenen met triestverlangende gezichtsuitdrukkingen.
In het noorden van de oude stad was markt, groente, fruit, schoenen, alles en ik kocht een stukje schapenkaas van een boer uit Bošec en een paar keer kwam ik aan de praat met autochtonen, die, samen met de stad, een trieste indruk maakten, de pleinen, de oude stadsmuren ademde leed uit, de oude stad waar Schubert graag concertmeester wilde worden, maar door een slechte referentie van zijn leermeeste salieri ging zijn verlangen in rook op.
Beethoven, Mozart en Haydn hebben hier hun muziek ten gehore gebracht, en veel later, ook Gustaaf Mahler waar ik langs de oever van de rivier, midden in de stad, nog een standbeeld zag staan.

600 jaar viel de stad onder de Habsburgers en pas na de Eerste Wereldoorlog keerde het weer terug in Slavische handen, viel het onder het Servische koninkrijk terwijl het later, na wo-II, door maarschalk Tito bij Zuid-Slavië werd ingelijfd.

Later op de avond, toen ik terugfietste naar het Dafje, dacht ik nog even aan het aanstaande driekoningen, aan Herodes en ik herinnerde mij wat woorden van Oscar Wilde die hij schreef in verband met genoemde despoot.

Van het koningskind dat de wijzen zochten en, volgens de traditie, op 6 januari vonden, kwam jaren later bij Herodes het gerucht ter ore dat Hij doden had opgwekt en juist voor Herodes, die net Zijn neef had laten onthoofden, was dat niet erg welkom.
"Waar is hij" roept de despoot tegen zijn bedienden in het stuk van Wilde "waar is hij, zoek hem op en zeg dat hij daarmee moet ophouden! Ik wil niet dat Hij daarmee doorgaat!" waarop zijn bedienden, gevreesd voor zijn tomeloze wreedheid, antwoorden: "Oh koning, Hij is overal, maar laat zich moeilijk vinden".

Aldus schreef ome Willem.
---

zaterdag 5 januari 2013

Witte fiets

Ook in Ljubljana wordt gefietst.

Ljubljana

Willembrede steegjes

Ljubljana, 4 januari, 16 graden.

Zomer op 5 januari?

Geniet.

Een prachtige, indrukwekkend mooie opkomst van de zon, van het steeds weerkerende licht, viel mij, en met mij een groot deel van de bevolking van Torino, ten deel; maar: hoeveel mensen zouden er acht op hebben geslagen?

De spaarzame wolken kleuren zo mooi rood, woorden van verwondering schieten mij te kort, deze stad, omzoomd door hoge bergen die 's-winters altijd als voornaam wit en statig de stad lijken te bewaken en met de eerste rode stralen begroetten ze mij terwijl ik rondom de stad reed.

Ooit, lang geleden, bij En Avdad, in שדה הבוקר zag ik ooit eerder zo'n kleurrijke zonneommekomst en ik kon er, al rijden over de welhaast uitgestorven wegen, langdurige van genieten, maar hoeveel deden dat met mij?

Rond achten kwam ik aan bij de eerste bestemming, twee anderen stonden voor maandag bestemd; het is hier immers nog volop vakantie en nagenoeg iedereen is, ondanks of dankzij de crisis, nog niet aan het werk.

Piobesi Torinese, het lossen ging er weer vanouds snel, na een kwartiertje ging ik weer en mocht weer, mocht weer genieten van de indrukwekkende omgeving, hier, in de streek van het begin van de Po met rijp op de akkers: het had een graadje gevroren vannacht.

De witte bergen, de flinterdunne, bijna onzichtbare nevel, maakte weer de paradijsherinnering in mij wakker: Iemand zit hiet achter: een oerknal veroorzaakt zoiets niet en al mijmerend kwam ik aan in Tofarello waar men mij vertelde zat de zaak gesloten was, maar desondanks lostte in de paar paletten die ik voor hen bij me had, zodat ik verder kon, op weg naar Busto Arsizio, even boven Milaan.

Op weg weer, via Asti naar Casale Montferato en oh, wat zijn ook de winters hier mooi en daarna, via Novara en Turbigo naar Busto Arsizio, door dorpjes met vrachtwagenbrede straatjes, het ging allemaal net en gelukkig wist ik de weg en zo kwam ik bij het losadres.

Weer was het geluk aan mijn zijde, ook daar was men, officieel gesloten, maar door het schenken van een rolletje italiano van de firma Tonnema uit Sneek kon ik ze overhalen om de pallet er uit te halen en kon ik nog een eind verder snorren, op weg naar de laatste klant welke buiten Italië ligt en ik toch niet meer kon halen.

Oostelijk ging het, steeds verder oostelijk, zes januari, de naar het westen reizende Drie Koningen, tegemoet: Bergamo, Brescia, Verona, Padova, Venetië en Porte Guardo waar ik de snelweg afging om verder de oude weg naar Trieste te volgen, Trieste, dat samen met Istrië nog een poosje, kort na de Tweede Wereldoorlog, betwist gebied tussen het Joegoslavië van Tito en Italië is geweest en een paar jaar onder neutraal geallieerd bestuur heeft gestaan en pas in 1954 werd opgedeeld: Triest aan Italië en Istrië aan Joegoslavië.

Langs de weg stopte ik bij ristorante Michelle, een aardig uitziend etablissement waar ik weer eens op ouderwetse wijze Italië proefde. Binnen nog volop kerstverlichting, maar nooit zo uitbundig en irritant als Frankrijk: italianen hebben immers veel gevoel voor devotie, aan de wanden statige zevensterren, de rest van de sierverlichting steeds verwijzend naar een aspect van de oude geschiedenis, Italië met zijn uitwassen, een politicus die één van zijn vele exen drie miljoen euro per maand moet betalen, geld, dat door vele arbeiders werd ingezameld en kennelijk naar één diepe diepte is afgezakt. Geld, immers, is opgeslagen arbeid, geld, ik heb daar nooit van kunnen genieten.

Inmiddels is het alweer licht geworden, een halve maan twinkelt nog hoog in de lucht, wolken boven de Adriatica worden weer door de opkomende zon aangewezen en Michelle is nog gesloten zodat ik elders op zoek ga naar verse koffie.

Kijk: daar geniet ik nu van.

Aldus schreef ome Willem.

---

Op weg.

Van Asti naar Casale.
---

vrijdag 4 januari 2013

De verklaring.

De stadjes Bischofszell en Wil waren de eerste Zwitserse dorpje waar ik, na een langdurige douaneafhandeling, door kwam dit jaar, op weg naar het gehucht Waltstadt, net even buiten Herisau en tevens mijn eerste losbestemming in 2013 terwijl ik onderweg al mijmerend zocht naar een verklaring van wat ik achter de dingen waar nam.

Het tweede adres lag een heel eind verder en daar het reeds elf uur was toen ik Waldstadt verliet, wist ik, dat het de volgende dag zou worden; ik begon aan een lange ronde door het met bergen en meren versierde land, via Zürich, Aarau, Bern en Friboug naar het Lac Léman. Reeds bij Gruyére doemden de bergen aan gene zijde van het meer op, de enorme reuzen, witbekleed als droegen ze hermelijnen mantels; onderaan de voet de steden Saint Ginolph, Evian en Thonen en tussen mij en de bergen, in diepe diepte, het prachtige meer, ik zag het, zág het allemaal zonder het te zien.

Het is werkelijk een mirakels fenomeen dat de mens waarneemt wat hij niet ziet, niet eens kan zien, en toch ziet, wel moet zien, zoals men iemand op de rug kijkt en daarbij altijd zijn of haar voorkant "ziet".

Er restte mij nog een ferme hindernis, de hoge Alpen in de winter, geen sinecure, zeker niet omdat het reeds in Aigle begon te regenen, hagelen zelfs, en ik ook nog voor een keuze stond: welke was de juiste? Beide waren -nog- open, de Simplon en de Bernard, ik verzocht de laatste en klom langzaam met veertig ton naar boven, de klim op, ruim dertig kilometer lang, en ik, ik reed nauwelijks harder: een uurtje dus, en ik zou het weten.

Het zien van het ongeziene, we kijken naar een willekeurig huis en "zien" de inhoud, tafels en stoelen wellicht; door het huis heen kijken we in de tuin, wij begrijpen, wij verstaan wat we zien, verstaan het geheel waar we slechts een deel van zien.

Het weer zat niet echt mee, zeker niet het eerste stuk en ik werd één, één met de elementen, één met het Dafje dat op zijn hoge leeftijd statig doorklom, de berg was totaal verlaten, geen auto, niets en toen de sneeuw ook op de weg bleef liggen begon ik te glimlachen: ik was niet meer één met de elementen, ik wás element, de hachelijkheid van het avontuur, maar ook nu weer keerde het nimmerweer net op tijd en een kleine tien kilometer voor de top klauterde het Dafje onder het wolkendek vandaan en we zagen in de verte zowaar blauwe plekken in de grauwe deken terwijl de neerslag naar achteren week, naar daar, waar ik in mijn spiegels inktzwarte wolken zag. Nog lag er voor bij een lange klim en de Daf kon niet harder, ik keek het lange, omhooglopende dal uit, zag reeds de achterkant van de bergen, de lichten van Aosta aan gene zijde.

Laat in de namiddag, tijdens het invallen van de duisternis, kwam ik aan in Italië waar een lange afdaling mij eerst tot Aosta bracht en later, door het lange dal uit te rijden, kwam ik nog tot Turijn, de oude hoofdstad van het voormalige koninkrijk Piemonte, de stad van Pirelli en Fiat, Torino, met zijn kilometers aan galerijen: ook die zie ik zonder ze te zien.

Door te zien wat we niet zien, verstaan we datgene wat we werkelijk zien en zien niet wat we niet verklaren kunnen omdat we niet weten.

Dat verklaart een hoop.

Aldus schreef ome Willem.
---

woensdag 2 januari 2013

Het nooitvoorbij.

Er lag een merkwaardige stilte over het Europese wegennet, een vreemde, onnatuurlijke zwijgzaamheid, alsof een stoet terugkwam van een droevige
teraardebestelling terwijl de zon de winterrust bescheen en heestertakken soms blauwgrijs, dan weer koraalrood, op deed lichten en het leek alsof er getreurd werd: "Voorbij, voorgoed en altijd voorbij het voorbije jaar".

Het begon niet goed, vandaag, nadat ik eerst vroeg bij mijn DAFje kwam dat te trappelen stond, terwijl hoog en helder de sterren aan de hemel stonden, van ongeduld om maar weer te kunnen rollen; trappelen, bij wijze van spreken, wat onvolkomen, maar voor symbolisch trappelen met wielen heeft het vocabulaire der Nederlandse taal nog geen zelfstandig woord.

Helaas, het was meteen al mis, want nadat ik de wielen van het Dafje liet draaien en mijn ogen in het zwartblauw naar zilver en goud speurde, op zoek naar Jupiter die ik al spoedig bij de stier vond, kreeg het dashboard een signaal dat mijn snelheidsmeter het niet deed, en, na later bleek, ook de snelheidsbegrenzing bleek defect: problemen dus, het jaar begon met narigheid.

Voor de niet-insiders: een dergelijk mankement dient men zo spoedig mogelijk te laten repareren aangezien de snelheidsmeter onderdeel is van de tachograaf waarop van alles en nogwat ter controle wordt geregistreerd. Ergo: door het donker werd de garage mijn eerste bestemming dit jaar en via via sprak ik af met een werkplaats te Venlo waar ik om zes uur aankwam en waar ik bijna met open armen en onder de woorden "de beste wensen" werd ontvangen.

Wie dacht, dat een dergelijk mankement snel zou zijn verholpen, heeft het mis, want het duurde tot na elven toen ik weer kon vertrekken: een dikke vijf uur dus voor een defecte snelheidsmeter en vooralsnog louter en alleen omdat er toch ook moet worden gecontroleerd en het behoeft geen nadere uitleg dat mijn hele verdere dag in het honderd liep: de ganse dag reed ik steeds vijf uur achter de feiten aan.

Het maakte de tweede januari droeviger dan dat ze al was terwijl ik via Rheinland Palz en Hessen Baden Würtemberg doorkruiste, op weg naar een eerste bestemming in Zwitserland en daarna verder naar de eindbestemming, eentje, die ik deze week niet bereiken zal; naast mij de altoos meereizende bermen, ook door droefenis getroffen en die troosteloos naar beneden staarden.

Weer in het donker van de duisternis kroop ik met het gevaarte door het Zwarte Woud, Tiberg, Donauesslingen, het werd kouder en vóór mij weer een menigte van twinkelende sterren, sterren die mij tussen alle droefgeestigheid door een troostwoord leken toe te roepen, een troostwoord van toekomst, rustgevende woorden van eeuwige waarden: jaren gaan en gaan, gaan voorbij, maar steeds opnieuw getuigen de sterren van het blijvende,
zoals bij de boom bladeren een kort leven zijn beschoren, maar de boom zelf soms de eeuwen weet te trotseren.

En tussen al die vaststaande bomen en steeds terugkerende sterren doolt de mens, die merkwaardige mens, steeds op weg naar bestemming, altijd op weg of op de weg terug, rusteloos op zoek naar geluk waarvan ze weet dat ze die toch niet vinden kan.

Rond half negen kwam ik aan in Konstanz-Kreuzlingen, de grens tussen twee werelden, voor vandaag de bestemming, en dra is ook deze dag voorbij, voorgoed voorbij.

Daar, die sterren, wat zijn ze toch anders, zo anders dan al die schreeuwerige sterren onder de mensenkinderen.
De heldere sterren boven mij, die zwijgend hun hemels lied zingen, zingen, roepen, toeroepen en mij uitnodigen tot zachte en rust.
Dat gaat maar nooit voorbij.

Aldus schreef ome Willem.

---