Hoeveel mensen hebben mijn site bekeken?
zaterdag 5 mei 2012
Reisindruk afgelopen week.
Indrukken waarop je kan zien dat er de tijd in Tsjechië stil heeft gestaan. Nog steeds is er niet al te veel verandering.
Of -nu bloeiende- appelbomen langs de weg, hier in Velké Heraltice.
Of prachtige kastanjes, bij Liblice.
Petrov nad Desnou.
Věžná.
En zoals hier, de tramrail in Olomouc.
vrijdag 4 mei 2012
Het Herdenken
Vandaag ook werd er afscheid genomen van Bert, collega Bert, voluit Bernardus, maar helaas, ik kon er niet bij zijn, de tijd stond het niet toe, óf: de weg was net te lang.
De laatste tijd is er nogal wat comotie omtrent dat herdenken, dat doden herdenken, enkelen willen dan ook de gevallen Duitsers herdenken, maar hebben ze gelijk?
Neen, ze hebben ongelijk.
Het herdenken gaat voornamelijk, ja, bij uitstek, het herdenken van slachtoffers, niet van daders, al lieten de daders er veelvuldig het leven bij, ja, waren ze, primair, niet schuldig.
Deze week was ik in Auschwitz, ik weet wat daar gebeurde, maar tot op de dag van vandaag kán ik het eenvoudig niet geloven, geloven wat daar gebeurt is, de werkelijkheid is zo bizar onwerkelijk. "Beschaafde" mensen, daders, echt: ongelofelijk! Hoe is de Christelijk beschaafde wereld tot zoiets in staat gebleken? Hoe absurd, hoe dom, hoe suicidaal! Met het trachten om te brengen van het Oude Volk heeft men zichzelf in de vingers gesneden, ja, zichzelf een slagaderlijke bloeding toegebracht, en terwijl, zoals onder meer de denker Nietzsche reeds enkele decennia eerder voorspelde en schreef*), het Oude Volk naar dezelfde plek toestroomde als toen ze eens Egypteland ontvloden, is de Westerse cultuur in diep verval geraakt, het religieus besef tot nagenoeg nihil gereduceerd en atheïsme het meest consequente christendom gebleken.
Dát, dat is het, onder het uitroepen van het Roomse Mea Culpa, Mea Culpa, Mea Maxima Culpa, herdenken van de slachtoffers meer dan waard, onze gevallen soldaten die zich verweerden tegen de Hitlerhorden, de gesneuvelde Canadese bevrijders, de vermoordde zigeuners, anders geaarden, geestelijk minder begaafden.
En vanaf dit jaar herdenk ik, naast al die miljoenen slachtoffers, voortaan ook Bert.
Aldus, ome Willem.
*) Morgenröte, blz 205, ca 1870 (!!)
Voor de liefhebber laat ik hier de volledige tekst volgen.
Vom Volke Israël.
Zu den schauspielen, auf welche uns das nächste Jahrhunderd einladet, gehört die Entscheidung im Schicksale der europäische Juden. Dasz sie ihren Würfel geworfen , ihren Rubikon überschritten haben, greift man jetzt mit beide händen: es bleibt ihnen nur noch ubrich, entweder die Herren Europas zu werden oder Europa zu verlieren, so wie sie einst vor langen Zeiten ägypten verloren, wo sie sich vom ein ähnliches Entweder-Oder gestellt hatten.
In Europa aber haben sie eine Schule von achtzehn Jahrhunderd durchgemacht, wie sie hier kein anderes Volk aufweisen kann, und zwar so, dasz nicht eben der Gemeinschaft, aber um so mehr einzelen die Erfahrungen dieses entstzlichen übungszeit zugute gekommen sind. Infolge davon sind die seelichsen und geistigen Hilfsquellen bei den jetzigen Juden auszerordentlich: sie greifen in Not am seltensten von allen, die Europa bewohnen, zum Becher oder zum Selbsmord, um ein tiefen Verlegenheit zu entgehen, -was dem geringer Begabten zo nahe liegt.
Jeder Jude hat in der Geschichte seiner Väter und Groszväter eine Fundgrube von Beispielen kältester Besonnenheit und Beharrlichkeit in furchtbaren lagen, von feinster überlistung und ausnützung des Ungelücks und des Zufalls; ihre Tapferkeit unter dem Deckmantel erbärmlicher Unterwerfung, ihr Heroismus im “Spenere se sperni” übertrifft die Tugenden aller Heiligen.
Man hat sie verächtlich machen wollen, dadurch, dasz man sie zwei Jahrtausende lang verächtlich behandelte und ihnen den Zugang zu allen Ehren, zu allem Ehrbaren verwehrte, dafür sie um so tiefet in die schmutzigeren Gewerbe hineinstietsz, -und wahrhaftig, sie sind unter dieser prezedur nicht reinlicher geworden. Aber verächtlich? Sie haben Selber nie aufgehört, sich zu den höchsten Dingen berufen zu glauben, und ebenso haben Tugender aller Leidenden nie aufgehört, sie zu schmücken.
Die Art, wie sie ihre Väter und ihre kinder ehren, die vernuft ihrer ehen und ehesitten zeichnet sie unter alle Europäern aus. Zu allendem verstanden sie es, ein Gefühl der Macht und der ewigen Rache sich aus eben den gewerben zu schaffen, welche man ihnen überliesz (oder denen man sie überliesz); man musz es zur Entschuldigung selbst ihres Wuchers sagen, dasz sie ohne diese gelegentliche angenehme und nützliche Folterung ihrer Verächter er schwerlich ausgehalten hätten, sich solange selbst zu achten.
Denn unsere Achtung von uns selber ist daran gebunden, dasz wir Wiedervergeltung im Guten uns Schlimmen üben können. Dabei reiszt sie ihre Rache nicht leicht zu weit: denn sie haben alle die Freisinnigkeit, auch die der seele, zu welcher der häufige Wechsel des Ortes, des Klimatd, der Sitten von Nachbarn und Unterdrückern den Mensch erzieht, sie besitzen bei weitem gröszte Erfarung in allem menslichen Verkehre und über selbst in der Leidenschaft noch die Vorsicht dieser Erfahrung Ihre geistigen Gemeinsamkeit und Gewitztheit sind sie so sicher, dasz sie nie, selbst nie in der bittersten Lage nicht, nötig haben, mit der physischen Kraft, als grobe arbeiter, Lastträger, ackerbausklaven ihr Brot erwerben.
Ihren Manieren mernt man noch an, dasz man ihnen niemals ritterlich vornehme Empfindungen in die Seele und Schöne Waffen um den Leib gegeben hat; etwas Zudringliches weschelt mit einer oft zärlichen, fast stets peinlichen Unterwürfigkeit. Aber Jetszt, da sie unvermeidlich von Jahr zu Jahr mehr sich mit dem besten Adel Europas verschwägern, werden sie bald eine gute Erbschaft von manieren des Geistes und Leibes gemacht haben; so dasz sie in hunderd Jahren schon vornehm genug dreinschauen werden, um als Herren bei den ihnen Unterworfenen nicht SCHAM zu erregen. Und darauf kommt es an!!!!!
Deshalb ist ein Austrag ihrer Sache für jetz noch verführt! Sie wissen selbe am besten, dasz an eine Eroberung Europas und irgendwelche Gewaltsamkeit für sie nicht zu denken ist: wohl aber, dasz Europa irgendwann einmal wie eine völlig reife Frücht ihnen in die Händen fallen dürfte, welche sich ihr nur leicht entgegenstreckt. Inzwischen haben sie dazu nötig, auf allen Gebieten der europäischen Auszeignung sich auszuzeichnen und unter den Ersten zu stehen: bis sie es so weit bringen, das, was auszuzeichnen soll, selber zu bestimmen.
Dann werden sie die Erfinder und Wegzeiger der Europäer heiszen und nicht mehr deren SCHAM beleidigen. Und wohin soll auch diese Fülle angesammelter groszer eindrücke, welche die jüdische Geschichte für jede jüdische Familie ausgemacht, dies fülle von Leidenschaften, Tugenden, Entschlüssen, entsagungen, kämpfen, Siegen aller Art. -Wohin soll sie sich ausströmen, wenn nicht zuletzt in grosze geistige Menschen und Werke! Dann, wenn die Juden auf solche Edelsteine und goldene Gefäsze als ihr Werk hinzuweisen haben, wie sie die Europäische Völker kürzerer und weniger tiefer Erfarung nicht hervorzubringen vermögen und vermochten, wenn Israel seine ewige Rache in eine ewige Segnung Europas verwandelt haben wird: dann wird jener siebente Tag wieder einmal da sein, an dem der alte Judengott sich seiner selber, seiner Schöpfung und seines auswähkten Volkes FREUEN darf, -und wir alle, alle wollen uns mit ihm freun!
De brugbreuk
Net over de brug een "knaagschuur" waar ik gistermorgen even halt hield en daar hing bovenstaande foto aan de muur, het bleek om dezelfde plek te gaan waar nu de brug ligt waar ik net over kwam, maar dan een brug in een iets meer hedendaagse versie.
Op de foto is de brug te zien, de brug toen, het zal rond 1920 zijn geweest, net rond de opkomst van de grote technische sprong voorwaarts.
Wie de foto aandachtig bekijkt zal het opvallen dat er meer niet dan wel wordt gezien.
De truck met aanhanger was te zwaar, wellicht, of de brug niet stevig genoeg, het is om het even, de gevolgen waren niet mis, dat is duidelijk en het betreft een bierwagen uit Hannsdorf, het huidige Hanušovice, even ten noorden van Bludov. En Bier werd toen kennelijk in de oude spelling gesproken en geschreven; Biere, tot zover geen vragen.
Om wat voor een vrachtwagen gaat het? Een oude Praga? Een Tatra? Zat het stuur links of rechts: rechts waarschijnlijk, omdat men toen links reed in dat gebied. Had de chauffeur zijn gordel om? Nee, daar had nog nooit iemand van gehoord.
Wie nam de foto, en vooral, hoe? Vanaf een boot? En met wat voor camera? En dan: hoe heeft men de zaak er af kunnen krijgen zonder behulp van een grote mammoetkraan? Wat was de lading? Wellicht bier, en zeker geen lege flessen of vaten! Hoeveel ton zou de zaak hebben gewogen? Tot welk jaar zijn het soort wielen in gebruik geweest zoals de foto laat zien?
Heeft men daarna de brug hersteld of meteen maar een nieuwe, stevigere gebouwd?
En de chauffeur? Heeft die het er zonder letsel afgebracht? Was er een bijrijder? Is de vrachtrijder naar aanleiding van het doorzakken met bier ontslagen??
Aldus vroeg ome Willem.
De bomenzang.
Een adembenemende weg voerde omhoog, de weg naar Rymařov en daarna over de Skřítek met even daarvoor een verrassend prachtig panorama op de nog besneeuwde Pradéd, de Velký Děd en de Medvědi Hřbet, toppen van de Hrubý Jeseník, de weg slingerde zich door een eeuwenoud woud, hoge, zingende bomen met relatief dikke stammen, de bomen, ze vertelden hun verhaal, een verhaal van de hier stilstaande tijd.
Zo kwam ik aan te Šumperk waarna nog een prachtige tocht volgde, via Červená Voda met een reeks haarspeldbochten naar boven, op weg naar Jablonné, het weer werd wat onstabiel, er zaten onweerswolken in de lucht en op zeker moment leek ik langs de plek te komen waar een nepbebaarde Kuifje, de professor en Kapitein Haddock tijdens de achtervolging door de Bordurische politie met een okergele auto de bocht uit vlogen; het zag er nog net zo uit als op de plaatjes op bewuste bladzijde van het boek; rond de middag passeerde ik het oude mijnstadje Žamberk en hier hielden de bergen op.
Fleurige fruitbomen, bloeiende paardenkastanjes, één groot feest, de bomen vertelden mij onderweg stilzwijgend levendige sprookjes, ik luisterde intens met mijn ogen, het was spannend, superspannend, 't leek net echt, 't wás ook echt, het pittoreske Vamberk kwam in zicht, een dorpje, al tijden onveranderd, op de oerlelijke nieuwe supermarkt na.
De weg werd drukker, druk zelfs, het knooppunt Hradec Králové volgde en ik wurmde mij door het verkeer naar Jicín, ik begon aardig op te schieten, het verdere verloop beschreef ik eens eerder: Mělník, bekend omdat daar de Vlatva in de Labe stroomt en daarna Slaný en dit keer verkoos ik Louny en Chomutov om via het onwerkelijke en gure, gribusachtige oord Hora Svatého Sebestiána, dat midden op het Ertsgebergte ligt, Tsjechië te verlaten. Weer zag ik in de spiegels het zinderende uitzicht, tot ver de republiek in.
Via het voormalige Karl Marx Stadt snorde ik nog naar Leipzig en onder de rook van de grote stad bleef ik staan.
In het donker zie ik ze nog steeds voor me, de verhalen die de bomen mij vertelden, de schakeringen van licht en donker die ze in hun libretto schreven, de liederen die ze zongen, de prachtige zangen der stilte, ze vervullen nog mijn oren, en met deze eeuwige, ja Eeuwige Klanken en beelden sukkel ik dankbaar in een heerlijke slaap.
Aldus schreef ome Willem.
---
donderdag 3 mei 2012
woensdag 2 mei 2012
de gruwelplek.
Lossen had, zo te zien, wel eerder gekund, want toen ik voor zeven uur bij het losadres in Otrokovice aan kwam, was men al volop aan het werk, maar niettegenstaande dat was ik best tevreden toen ik ruim voor achten de poort weer uit reed, op weg naar de volgende klant, ruim 200 kilometer verder op, Olomouc, Sternberk en toen de Moravische vlakte uit, de gelijkgenoemde bergen in, en oh, wat had ik daar weer een uitzicht!
Door de uitlopers van de Tatra, van Bruntál naar Krnov waar ik de grens over wilde naar Głubczyce en dat kon alleen door een verbodsbord voor vrachtverkeer te negeren; het moest maar voor een keer, en via Głogówek kwam ik nog ver voor de middag aan bij de tweede klant in Krapkowice.
De transporten kwamen vrijwel dagelijks, het ridicule is dat het spoor naar het tweede deel pas aan het einde van de oorlog (1944) werd aangelegd: voordien werd de weg, na een uitputtende treinreis van soms dagen, te voet afgelegd.
Inmiddels bleek dat er geen terugvracht in Polen was te vinden, en inmiddels werd ook duidelijk hoe dat kwam: omdat het morgen een vrije dag is waaraan weer een "rijverbod" voor vrachtverkeer is aan gekoppeld: 1 en 3 mei, wie verzind zoiets!
Zeven maanden gemiddeld werden ze te werk gesteld, áls ze al werden tewerk gesteld werden, soms op de fabrieken, in de oude gebouwen waar ik langs reed, maar dan waren ze ook "op", zo had het misdadig systeem uitgerekend.
Krakow, daar zat nog een laatste losadres, en daarna moest ik maken dat ik weer het land uit kwam om niet een dag extra stil te komen staan, de klant zat tegen het centrum aan, Ulice Sliczna, en de afnemer was maar wat blij met de grote kist die ik kwam brengen. Veel te kort en snel ging ik de mooie stad, de stad van koning Krak en Casimir de Grote, Krakow, weer uit en kwam zo over weg "44", in mijn spiegels verdween de Wawel, langzaam uit beeld, ik volgde de slingerweg......
Rond vieren kwam ik aan, Oświęcim, en eigenlijk gebeurde het er een beetje er buiten, Brzezinka, door de Duitsers Birkenau genoemd, het was er druk en er stonden veel, te veel bussen.
Links het "vrouwenlager", rechts de barakken van de mannen, daarachter een enorm terein met korte, stenen schoorsteentjes, het enige wat van de houtbarakken is blijven staan, het prikkeldraad, zou dat nog "origineel" zijn, of wellicht in de loop der jaren hier en daar vervangen?
Voor de vierde keer dat ik er was, Auschwitz, tussen de rivieren Soła en Wisła, toen, ver weg van de "bewoonde" wereld, een siddering ging weer door mij heen, maar wat een toeristen, het stoorde mij eigenlijk, het hoorde er stil, muis en muis stil te zijn!
Hier, in het centrum van het Christendom, gebeurde het, werden de zonen en dochters van Abraham afgeslacht, en hier, juist hier stierf het Christendom, hier ging het roemloos ten onder, schuldig aan de meest ondenkbare gruwel.
Even later ging ik voort, via Czèchowice-Dziedzice en Bielsko-Biała naar Cieszyn, pal aan de grens met Tsjechië waar ik een plek voor het Dafje vond.
Onderweg luisterde ik naar muziek van de schoonvader van Richard Wagner, een beroemd geworden Poolse componist, ja, ook de klanken van de Hunnenslacht klonken door de stuurhut.
Aldus schreef ome Willem.
---
dinsdag 1 mei 2012
Het wistenweet.
Al om vier uur op pad, de weg op naar Karlovy Vary, aan het noord-oosten werd het reeds schimmig licht. Niet lang daarna snorde ik richting Plzeň en over de hele afstand kwam ik niemand, maar dan ook geen enkele auto, tegen. In de dalen hing soms hardnekkige mist, over de weg dansten witte asfaltelfjes.
Hier, in dit land, hebben ze in tegenstelling tot het "westen", nog een andere kanteling in de tijd meegemaakt, begin negentiger jaren, maar weten de mensen dat hier wel?
Weer ouderwets de weg op naar Nepomuk, en even na Písek stopte ik voor een versnapering, maar toen ging het weer verder, Tábor kwam in zicht, ik zag het liggen achter groen met geel bekleedde weiden, de zon prangde door, de mist loste op.
Via Jindřichuv Hradec bracht ik variatie in de route en over Telč en Třebíč bereikte ik Brno, juist daar ontving ik de droeve mare, de mare dat mijn collega was overleden en onwillekeurig dacht ik aan mijn wakker worden, de onrustige nacht, die dingen zijn geen louter toeval.
Maar velen weten niet meer en zeker door de opkomst van de techniek weet de mens steeds minder totdat zij een door domheid voortgedreven kliermassa is verworden.
Als kind kon, en ik ken ze nog steeds, de telefoonnummers, je onthield dat gewoon, maar nu? Wie kent het telefoonnummer van die ander nog? Eerst "wisten" we dat gewoon, maar nu?
We kennen ons eigen nummer vaak niet eens.
Peinzend ging ik verder, kwam door een dorpje waar langs de doorgaande weg een markt was, honderden mensen, en ik er tussendoor met de kar. Ik las de gezichten, de jongeren weten zeker niet, de ouderen lijken het te zijn vergeten; wie weet er nog iets van vóór?? Ze liepen af en aan, door elkaar, en gingen verder met overleven.
De wegen echter, kilometers zijn ze nog als voorheen, met hier en daar een kleine modificatie, langs de bermen honderden bebloesemde appelbomen, er is vaak weinig verschil als toen, toen ik hier ten tijde van het gordijn kwam, alleen de auto's walmen minder.
Vergeten doen we snel, onze doden, de tijden en de kantelingen daarin, áls die laatsten al worden opgemerkt.
Piekeren, niets dan piekeren vandaag, de droeve mare, de zinderende natuur, de prachtige wolken, het was warm, heet, snikheet zelfs, de raadsels van het leven en het einde daarvan.
Slavkov u Brna en toen een klein pasje over en bij de afdaling een uitzicht over het immense dal van de Morava en tegen de achtergrond bergen, bergen waarachter Slovenië begint; even na Uherské Hradiště bleef ik staan, het liep immers al tegen éénen.
Met zoveel zaken gebeurt het, het weten kalft meer en meer af en het weten beperkt zich louter tot een zoeken, zoeken op google, maar dat is natuurlijk geen echt weten, maar een surogaatweten!
Met de fiets trok ik er op uit, zowaar over een behoorlijke fietsroute, in de smoorhitte kwam ik na ruim twee uur aan in Vesilí nad Moravou, een eerste stadje in de provincie Jihomoravský (Jih staat voor zuid, Zuid-Moravië dus) een stadje waar ik jaren terug even was en ik zocht naar een zekere ijssalon die ik niet vond en na een half uurtje vertrok ik weer naar het oude trouwe Dafje die in Babice op mij wachtte. Doodmoe, vermoeide benen, maar voldaan, ik kreeg hoofdpijn en toen ik naar de lucht keek zag ik dat hoog boven zich grimmigheid ging formeren. Wellicht onweder vannacht?
Wie weet er nog de weg?
Welke chauffeur weet nog?
Niemand meer toch? Bijna niemand meer? Hoe wist men vroeger toch de weg, wist overal te komen zonder enig technisch snufje, wist welke route goed en welke slecht liep, wist van het te lage viaduct op de weg, wat wist men toch veel!
Maar nu? Thans lijkt nagenoeg alle weten gewist.
Aldus schreef ome Willem.
---
Bert.
Bert was een rustige kerel, met een bijzonder soort humor; niet iedereen kon er tegen, maar ik vond het vermakelijk. En ook had hij belangstelling voor gedichten, vooral limmeriken, hij kon er heel wat uit z'n hoofd en bovendien kon hij niet onaardig schaken.
Na een paar dagen hoorde ik het bericht, het bericht dat hij ziek was, vrijwel ongeneeslijk, ik werd daar erg door geschokt, wist mij nauwelijks geen raad!
Enkele keren speelden we een partij, ik herinner me die partij in zijn woonplaats Ouderkerk, in het plaatselijke café, waar hij pardoes een stuk voor kwam te staan, hij vond het leuk, dat schaken.
De tijd vloog voorbij, de maanden, waar bleven ze? En telkens had ik het voornemen, het voornemen waar maar steeds niets van terecht kwam, maar met Pasen zou ik bij hem langs gaan, ik sprak met hem af, eerst zou ik bellen hoe hoij zich zou voelen, maar dan zouden we een partij spelen.
Op die dag belde ik hem, twee, drie keer, maar hij nam niet op. Tegen vieren belde hij mij en zei dat hij erg beroerd was en hij het niet zag zitten, we kletsten nog even, maar hij leek alle hoop te hebben verloren.
Nadien hoorde ik dat het steeds slechter met hem ging, vandaag bereikte mij het bericht dat hij afgelopen nacht is overleden.
Een schok, toch, al had ik het wel verwacht, maar een schok als je zo opeens een collega moet missen, nog lang geen 60 jaar, en mijn medeleven gaat uit naar zijn echtgenoot, kinderen en verdere familie.
Schuldgevoel ook, omdat ik die laatste partij niet met hem heb gespeeld.
Vaarwel Bert; ik zal je nooit vergeten en je staat voor altijd in mijn herinnering gegrift. En op mijn log natuurlijk: voor altijd!
Je collega, Willem.
---













































